Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eene zeer belangrijke rol speelt, wat de tegenstelling tusschen het plantendek op kalk- en leisteenbergen betreft, ook de door verwering van gestorven plantendeelen gevormde bruine of zwarte massa, die onder den naam humus bekend is.

Voor de juiste waardeering van de beteekenis van den humus zij allereerst erop gewezen, dat zicli bij de vorming van een aaneengesloten plantenkleed overal drie trappen van ontwikkeling laten onderscheiden. Tot den eersten trap van ontwikkeling behooren de planten, die zich op den kalen steengrond kunnen vestigen, tevreden zijn met een volkomen humuslooze onderlaag en in den loop der tijden de kaalste rots, de meest woeste velden van rotspuin en het onherbergzaamste stuifzand bedwingen en in boeien slaan. De soorten van deze groep behooren hoofdzakelijk tot de Korst- en Bladmossen, de Grassen, de Oruciferen, Looksoorten, Steenbreken en Composieten, welker sporen, zaden en vruchten uitnemend geschikt zijn, 0111 door luchtstroomingen te worden meegedragen en dus met gemak zich door den wind laten brengen op steile klippen en tusschen 't kale rotspuin. De tweede trap omvat planten, die een matig met humus gemengde aarde behoeven en zich vestigen op den door de eerste planten toebereiden bodem, er, om zoo te zeggen, bezit van nemen en de eerste bewoners onderdrukken en overwoekeren. Hiertoe behooren planten uit de meest verschillende familiën, welker verspreiding plaats heeft op zeer uiteenloopende, in een later hoofdstuk te beschrijven wijze. Op den derden trap eindelijk ontmoet men gewassen, waarvoor de overvloedige humus, door do planten van den tweeden ontwikkelingstrap langzamerhand bijeengebracht, onontbeerlijk is. Veenmossen, Wolfsklauwen, Zeggen, Erica's zijn de voornaamste van dezen ontwikkelingstrap.

In den loop der jaren vermindert in den grond, die de planten van den derden ontwikkelingstrap voedt, al meer en meer de hoeveelheid anorganische stoffen. Gewassen, die een grooter quantum anorganische stoffen zouden noodig hebben, leiden daar slechts een kommervol bestaan en worden bovendien onderdrukt door de rottingsplanten, welke er een uitstekend voor hen geschikte standplaats vinden en er welig groeien. De afvallende deelen van die saprophyten bevatten nog slechts zeer geringe hoeveelheden anorganische stoffen. Met name is in hun asch vaak geen spoor van kalk aan te wijzen. Op deze wijze ontstaat bovenop eene humuslaag, die het een groot aantal planten onmogelijk maakt, er te gedijen.

De in de diepte volgende aardlaag kan mogelijk nog eene aanzienlijke hoeveelheid anorganische stoffen bevatten, voor de in de bovenste humuslaag wortelende planten zijn deze echter waardeloos, omdat de bovenste laag voor die stoffen gesloten is. Men heeft namelijk door proeven aangetoond, dat zuivere humus de in het water opgeloste stoffen vasthoudt. Dit gaat zoo ver, dat bij het filtreeren van zoutoplossingen door een humuslaag er beneden zoo goed als zuiver water afdruppelt. Het is daarom ook niet mogelijk, dat anorganische stoffen uit diepere lagen van den lossen grond, en nog veel minder uit het onderliggend gesteente in opgelosten toestand door opzuiging in de bovenste

Sluiten