Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar er onder water geen verdamping plaats heeft. De stengels, die onder water zijn gegroeid, worden dus, zoodra ze aan de lucht worden blootgesteld, slap en hebben alle stevigheid verloren; de bladeren zijn in vergelijking met die, welke zich in de lucht ontwikkelen, veel zachter en teerder, zonder glans en van lichter groene kleur; ze rollen in de lucht zich spoedig op en verdrogen er al na zeer korten tijd.

Een dwarse doorsnede door het onder water gegroeide blad toont aan, dat het aantal cellen, die tusschen de bovenste en benedenste opperhuid liggen, kleiner is dan elders, en dat deze cellen in de richting loodrecht op de bladschijf verkort zijn. De bladeren van Beekpunge, Veronica beccabunga, hebben, als ze onder water gegroeid zijn, maar één derde van de dikte van die bladeren, welke zich in de lucht hebben ontwikkeld, en tusschen de bovenste en de onderste opperhuid bevinden zich slechts 4 of 5 reeksen korte cellen, terwijl de overeenkomstige bladeren der in de lucht gegroeide plant 10 tot 12 reeksen van cellen en een duidelijke scheiding van pallissaden- en sponsweefsel vertoonen, zooals in Deel I, op blz. 344 en 345 is gezegd.

De vorm der bladeren wordt onder water eveneens op de meest verschillende manier gewijzigd. Bij de genoemde I'eronira beccabunga is in dit opzicht het onderscheid der onder en boven water ontstane bladeren het kleinst en het bepaalt zich tot de verkorting van den bladsteel en tot het onduidelijker worden van de tanden aan den rand van het blad. Ook bij Veronicu anagallis is de verandering van den vorm niet van groote beteekenis; maar bij vele andere planten is die zeer in 't oog vallend, en wij zullen erop terug moeten komen, als wij spreken over den invloed van het licht.

I lanten, die wortelen in het slijk van een beekbedding en welker stengels en bladeren door snel stroom end water zijn omgeven, moeten bijzonder goed tegen uitrekking bestand zijn, als zij niet licht zullen scheuren. Vergelijkt men twee planten van ééne soort, waarvan de eene in het stilstaande water van een diepen poel, de andere in een snel vlietende beek is opgegroeid, dan bemerkt men, dat de wanden der opperhuidcellen bij de in het stroomende water gegroeide plant zich sterk hebben verdikt, en dat in den bast der stengels zich stevige bastbundels hebben ontwikkeld, waarvan in den stengel der in stilstaand water gegroeide plant slechts zwakke sporen aanwezig zijn.

Zeer in het oog vallend is ook bij planten in snel stroomend water de buitengewone verlenging der stengels, bladstelen en bladschijven. Het Drijvend Fonteinkruid, Potamogeton fluitans; de Bloembiezen: Ju neus lamprocarpus, Water Bloembies, en Juncus supinus, Moeras Bloembies; dan het Struisgras, Agrostis stolonifera, en het Groot Vlotgras, Glyceria fluitans, zijn in dit opzicht zeer leerrijke voorbeelden. Een plant van laatstgenoemde grassoort, die op vochtigen grond aan den oever van een beek boven het water zich in de lucht had ontwikkeld, droeg lijnvormige, plotseling puntig toeloopende bladeren met een 15 centimeter lange scheede en een gemiddeld 23 centimeter lange en 8,5 millimeter breede bladschijf. Nadat deze plant in

Sluiten