Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bladeren er geheel anders uitzien; ze zijn dan in talrijke draad- of haarvornnge slippen verdeeld, zijn donkergroen en hebben niet den minsten glans

Op dezelfde wijze als een waterlaag, die het licht dempt, werkt ook op de zich ontwikkelende stengels, bladeren en bloemen de bedekking of wel beschaduwing door steenen. losse aarde, riet of naburige overblijvende kruiden en heesters. Struiken van de Roode Boschbes I accinium Vitis Idaea, welker loten door vermolmde boomstammen, tusschen dé schors en het hout van den stam door zich moeten omhoog werken, kunnen de hoogte van een meter bereiken, terwijl die planten, die ernaast zich vlak op den boschgrond ontwikkelen slechts 15 cM. hoog worden. Zoo ver de donkere spleet reikt, zijn de loten roodachtig en in plaats van de donkergroene bladeren hebben zich aan deze stengels kleine, bleeke schubjes gevormd. Zoo ook bereiken de bladeren van de Paardebloem, Tamxacum officinale, in de zou de lengte van 20 cM.; staan ze in de schaduw, dan krijgen ze een dubbele tot drie dubbele lengte. Vooral is het 't benedengedeelte van het blad, dat de verlenging vertoont; de top ervan verandert betrekkelijk het minst, en het middelgedeelte ondergaat alleen in zoo ver den invloed, dat daar de slippen en tanden korter worden er minder duidelijk te zien zijn.

Om te weten te komen, welken invloed de bedekking der planten met aarde uitoefent, werden op een bloembed talrijke bollen van de Gewone of Late I ulp onzer tuinen, Tulipu Gesneriana, en op een andere veel knollen van de gewone \ oorjaars Crocus, Crocus cernuit, op gelijke hoogte geplant en daarop werd over deze bollen en knollen aarde uitgestrooid ter hoogte van •>. 10, 1"). 20, 25, 30, 35, 40. 45 en 50 centimeter in geregelde volgorde. Op de plaatsen, waar de bollen slechts met een 5 centimeter liooge aardlaabedekt waren, kwamen natuurlijk de punten der bladeren en der bloemknoppen liet eerst voor den dag; op de volgende trappen van de beide bloembedden was de ontwikkeling in dezelfde mate vertraagd, als de aarde hooger lag opgestapeld. Boven de 20 cM. hooge aardlaag kwamen nog eenige bloemknoppen van ('rocus; boven de 30 cM. hooge nog een bloemknop van de Tulp; boven de aardlaag van 35 cM. nog talrijke punten van <'rocusbladeren en boven de 40 cM• hooge aardlaag nog eenige toppen van bladeren der Tulp te voorschijn.

Hij de met een dikke aardlaag bedekte, waren de bloemdekbuis, de bloemstelen en de bladeren ongeveer dubbel zoo lang geworden als die. welke zich bij een bedekking met aarde ter hoogte van slechts 5 centimeter hadden ontwikkeld. De bloemen waren kleiner en ontplooiden zich dicht boven den grond • de bladeren waren smaller en, zoo ver de aarde hen omgaf, van bleekgele' kleur. Boven 40 centimeter stak geen Crocus-, noch een Tulpenblad uit. Voor verdere verlenging waren blijkbaar de in den bol aanwezige reservestoffen niet meer toereikend. Er vertoonden zich dus hier in de stengels en bladeren van ('rocus en Tulp dergelijke veranderingen, als in de donkere ruimte van een kelder worden waargenomen bij de spruiten van aardappelknollen.

Wanneer de demping en onttrekking van licht verlenging der loten en verschillende veranderingen van de bladen veroorzaakt, dan laat zich verwachten.

Sluiten