Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stengelleden, vermindert, en dat er al op de lagere verdiepingen bloemen worden gevormd, is het mogelijk, dat de planten in de Alpen reeds op het eind van Augustus en in het begin van September bloeien, en misschien nog rijpe vruchten kunnen voortbrengen, wat immers een der belangrijkste verrichtingen in het plantenleven is.

Deze wijziging in de ontwikkeling is ook de oorzaak van het reeds herhaaldelijk besproken verschijnsel, dat vele planten in de Alpen betrekkelijk vroeger bloeien dan in lager gelegen streken. Toch moet hier ter vermijding van wanbegrip uitdrukkelijk worden opgemerkt, dat bij geen enkele van de 32 soorten van overblijvende planten, en evenmin bij de tweejarige en éénjarige soorten, die in den Alpenproeftuin tot bloei kwamen, liet vroeger in bloei komen erfelijk werd, en dat zij zich daardoor zeer beslist onderscheiden van zoogenaamde asyngamische soorten, waarover wij later nog zullen spreken.

De betrekkingen van liet licht tot de kleurstoffen der planten zijn herhaaldelijk het onderwerp geweest van nauwkeurige onderzoekingen. Alle waarnemers komen daarin overeen, dat de hoeveelheid der onder den naam anthokyaan bekende kleurstof met de sterkere of zwakkere bestraling dooide zon van de in aanmerking komende plantendeelen toe- of afneemt; dat ook de gele kleurstof in de bloemen hetzelfde te zien geeft; maar dat liet clilorophyl in de niet doelmatig beschutte planten door al te fel licht verwoest wordt, en dat dan de groene weefsels verbleeken en een geelachtige kleur aannemen.

Bij de omstandigheid, dat in bergstreken met het toenemen der hoogte ook de intensiteit der zonnestralen toeneemt, zooals in Deel II op blz. 198 en 199 is beproken, valt te verwachten, dat bij de planten op liooge bergen de genoemde werkingen van het licht op bijzonder duidelijke manier in het oog zullen vallen. En zoa is het ook inderdaad. De bloemen der in den Alpenproeftuin op den Blaser ter hoogte van 2195 M boven het oppervlak der zee gekweekte soorten vertoonden alle warme kleuren, en verscheiden waren, in vergelijking met de bloemen der op de proefbedden van den Weener Botanischen tuin gekweekte, beslist donkerder van tint. Als bijzonder kenmerkend moeten in dat opzicht worden genoemd Agrostemma yithayo, Campanula pusilla, Dianthus inorforus (of sylrestrit<•), (lypsophila repens, Lotus corniculatus, Sajionaria oeymoirfes, Saturtja hortin sis, Taraxacum officinale, Vicia Cracca en Vicia sepiuin.

Verscheiden soorten, die in den Weener Botanischen tuin zuiver witte bloembladeren hadden, als de reeds genoemde Lihanotis montana, de Hertswortel, vertoonden in den Alpenproeftuin eene door anthokyaan ontstane rood violette tint aan de onderzijde der genoemde bladeren. De kafjes van al die grassen, die in de laagte groen waren of slechts zwak violet waren aangeloopen, kleurden zich in den Alpenproeftuin donker bruin violet.

Zeer in 't oog vallend was de overvloedige anthokyaanvorming in liet groene weefsel der gewone bladeren, der kelkbladeren en der stengels. De bladeren der Vet krui den: Serf u m acre, Serf urn album, Serfum sexunyularc, hadden eene purperroode; die van Dracocephalum Huyschianuin, een soort van

Sluiten