is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dikte der waterlaag bereiken ze de lengte van 30, 40, 50 tot 100 cM. De stevigheid der door water omspoelde bladstelen wordt niet op zware proef gesteld; dus zijn de bastvezels weinig ontwikkeld, de vaatbundels in den bladsteel zijn slechts 0,11 millimeter dik, de wanden der opperhuidcellen zijn slechts half zoo dik als bij den door lucht omgeven bladsteel; onder de opperhuid ontstaan slechts 3 tot 5 lagen collenchymcellen, en de luchtkanalen in het midden van den bladsteel hebben een middellijn van meer dan een halven millimeter. Deze bladstelen zijn dus slap en niet in staat, buiten het water de bladschijf te dragen.

De algemeene vorm der lagere overgangs- en der gewone stengelbladeren, de geleding der laatste in steel en bladschijf, de vorm van de bladschijf en de gedaante van den rand ervan, alsook de verdeeling der nerven vloeien voort uit een innerlijke noodzakelijkheid, zij worden door de specifieke gesteldheid van het protoplasma aangegeven; maar de dikte der opperhuidcellen, de omvangrijkheid van het steunende weefsel en de lengte der bladstelen worden bepaald door de mate der bedekking met water. Op dergelijke wijze is het gesteld met de bloemen van deze Plomp. De bouw daarvan hangt af van de eigenaardige constitutie van het protoplasma; daarentegen wordt de grootte der bloembladeren door de temperatuur van het water bepaald.

Als tweede voorbeeld diene het Klein Beemdgras, Poa anima. Dit heeft een zodevormenden groei, zijii halmen en bladscheeden zijn cylindervormig, de bladschijf vertoont zeven nerven, de onderste takjes van de bloempluim staan afzonderlijk of in paren, maar nooit in halve kransen; de aartjes van de pluimen zijn sterk samengedrukt en eivormig van gedaante. Deze kenmerken zijn onveranderlijk en worden onder alle omstandigheden bij Poa anmia waargenomen. Als zich echter in de moestuinen der vlakte de halmen van den grond verheffen en boven liet bovenste korte blad uitgroeien, de aartjes 0 tot 7 bloemig worden en eene bleeke, groenachtige kleur aannemen; of als integendeel in het gebied der Alpen de planten overblijvend worden, de halmen zich op den grond neerleggen en zoo kort blijven, dat ze niet boven het bovenste blad uitgroeien; de aartjes slechts 3 tot 4 bloemen ontwikkelen, en de kafjes op den rug een donkerviolette, aan den rand een bruingele kleur aannemen, dan staan deze veranderingen met de eigenaardigheden van de standplaats in het laagland of op de Alpen in de verhouding als van gevolg tot oorzaak en zijn toe te schrijven aan de op deze standplaatsen op verschillende wijze optredende invloeden van warmte, licht en vochtigheid.

Deze veranderingen geschieden steeds in het voordeel van de plant. Zij maken het individu krachtiger en verhoogen zijn weerstandsvermogen, steunen en beschermen zijn organen bij hun werkzaamheid, en maken het mogelijk. dat de afzonderlijke deeleji op tijd functionneeren, ondanks de noodzakelijk geworden veranderde levenswijze. Zij hebben blijkbaar tot taak, de plant ook onder zeer afwijkende omstandigheden in het leven te houden, met zoo weinig mogelijke middelen den groei en de instandhouding der soort en der individuen, 't zij langs vegetatieven, 't zij langs generatieven weg te verzekeren, en dus

A. Kf.rnriï vos Maiüi.afn", Het leven Je? planten. IV. 3