Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunnen zij ongetwijfeld worden opgevat als aanpassing aan de bijzondere omstandigheden van bodem en klimaat.

Het vermogen tot die aanpassing is echter toch gegrondvest in de geaardheid van het protoplasma, en het vertoont bij de onderscheiden soorten groote verschillen. I)e eene soort kan zich duor doelmatige veranderingen geschikt maken voor het verdragen van schel licht, van een bedekking door water, van droge lucht enz.; de andere kan dat niet. Indien het protoplasma van Vlas, IAnum usitatissimum, in het groene weefsel even overvloedig anthokyaan kon voortbrengen als liet Boonenkruid, Satureja hortensis, dan zou do plant niet te niet gaan onder den invloed der sterke lichtwerking in de Alpenstreken, maar zij zou even goed als het Boonenkruid daar bloeien en vruchten voortbrengen. Indien het protoplasma van liet Gewoon Struisgras, Agrostis eulgaris, in staat was ook onder water voor den opbouw der plant te werken, zou deze plant niet sterven, zoodra zij onder water werd geplaatst, maar evenals de andere soort van Struisgras, Agrostis stolouifera, die uitloopers voortbrengt, in stand blijven met groene, in hot water drijvende halmen en bladeren. In tkort: de aanpassing beweegt zich bij elke soort binnen bepaalde grenzen, die in de specifieke gesteldheid van het protoplasma hun oorzaak vinden en niet kunnen worden overschreden,

Van groote beteekenis voor de geschiedenis der soorten is do vraag, of de door verandering van bodem en klimaat ontstane wijzigingen bij de nakomelingschap bewaard blijven, of ze erfelijk kunnen worden. Deze vraag kan natuurlijk enkel door proeven worden opgelost, en wel door proeven, waarbij op alle mogelijke bronnen van fouten gelet wordt. Deze laatste opmerking staat hier niet zonder bedoeling. De bronnen van fouten zijn namelijk bij zulke proeven zeer talrijk. Twee ervan wil ik, met het oog op de omstandigheid, dat mijn eigen, in de jaren 1863 en 18(>4 hierover gedane proeven erdoor benadeeld werden, hier in het kort bespreken.

Het is niet genoeg, dat men do voorzorg toepast, van bij liet uitzaaien in de voor de vergelijking precies gelijk aangelegde proefbedden, steeds slechts de zaden van één plant te gebruiken; er moet ook zorg worden gedragen, dat bij de zaadvorming van die plant geen kruisbestuiving tusschen verschillende soorten is voorafgegaan. Uit de zaden, die in het jaar 18G3 ingezameld waren van een in den Innsbrückschen Botanischen tuin gekweekte plant van Dianthus alpinus, en die in twee proefbedden met verschillend gemengde aarde werden uitgezaaid, ontwikkelden zich op de kalkvrije aarde eenige planten, die in hun uiterlijk voorkomen iets hadden van Dianthus deltoides, Steen Anjelier, en het leek wel, of de als kalkplant beschouwde Dianthus alpinus op kalkloozen grond zich zou veranderen in Dianthus deltoides. De zaden der plant, die op Dianthus deltoides geleek, werden nu opnieuw uitgezaaid in kalkvrijen grond; maar de uit deze zaden voortgekomen planten vertoonden geen verderen overgang tot Dianthus deltoides, zij waren in al hun kenteekenen standvastig gebleven.

Sluiten