Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

druk en stormen de boomen dicht bij den grond worden afgebroken, wanneer voor den bijl van den houthakker de stammen van het woud en voor de zeis van den maaier de op. de weide staande stammetje van jonge boomen en heesters vallen; wanneer door een nachtvorst in de lente alle jonge loten doodvriezen of wanneer door rupsen alle bladeren worden opgevreten, en de takken, als in den winter, bladerloos in de lucht opsteken.

In die gevallen komen óf uit de „slapende" knoppen van den stam, öf uit do reserveknoppen der takken en twijgen, of eindelijk uit knoppen, die op de wortels onder den grond waren aangelegd, nieuwe spruiten te voorschijn. l)e laatste zijn als wortelloten, de eerste onder den naam „stoofloten bekend, en de bladeren ervan wijken van die der afgebroken, afgevreten. afgesneden of bevroren takken op zeer in 't oog vallende wijze af.

Zoo zijn de bladeren uit de kroon van den Klaterpopulier, Populus tremula, in volwassen toestand stijf en kaal. de aan een langen steel gedragen bladschijf is cirkelrond en aan den rand grot getand en golvend. De door de bladschijf loopcnde zijnerven gaan aan den rand over in een net. waarin nergens krachtige, boogvormige verbindingen te zien zijn. De bladeren der uit den voet van een verminkten stengel of uit do wortels opgeschoten stoofloten en wortelloten zijn daarentegen zacht en aan beide zijden dicht met korte, donzige haren bezet; de op korte stelen gedragen bladschijven zijn driehoekig-hartvormig en aan den rand bezet met naar voren gerichte tandjes. De door de bladschijf loopcnde zijnerven lossen zich naar den rand toe op in een net, waarin stevige, boogvormige verbindingen duidelijk te zien zijn.

De bladeren in de kroon van den Zomereik, Quercus pcdunculata (robur), zijn vrij diep gespleten en aan den voet zijn ze voorzien van twee zoogenaamde oortjes; die der stoof- en wortelloten zijn bijna gaafrandig of maar even gelobd en aan den voet niet geoord. Hij den Beuk, Fai/us si/li'dticn, zijn de bladeren dier nieuwe loten aan den rand meer of minder duidelijk gezaagd, terwijl die van de takken der kroon gaafrandig zijn. De gewone Moerbeiboom, Morus utara, en de Papier-moerbeiboom, liroussonctiu papi/riferrt, hebben aan de nieuwe loten bladeren, die op allerlei wijzen ingesneden zijn en meer of minder diep gelobd; die van de kroon zijn daarentegen hartvormig, aan den rand getand, maar niet gelobd. De bladeren van de stoofloten van Betula cerrucosa (alba), den Blanken Berk, zijn enkelvoudig gezaagd en fluweelachtig behaard, die aan de takken van de kroon zijn dubbel gezaagd en kaal.

Om nog meer voorbeelden te noemen: de bladeren aan do bedoelde loten van Salix auiita, den Ge oorden Wilg, zijn kaal, breed eivormig en vrij glad, terwijl do nerven in de bladschijf een wijdmazig net vormen; de bladeren aan de niet verminkte takken van dezen heester zijn in hun voorste derde gedeelte verbreed, grijs behaard, sterk gerimpeld, en de nerven in de bladschijf vormen een netwerk met kleine mazen. Bij Salix rosmarinifulia, een soort van Kruipwilg, zijn de bladeren der loten dubbel tot driemaal zoo breed als die deiniet beschadigde takken; ook zijn ze kaal, terwijl die der niet beschadigde takken met zijdeachtige haren bedekt zijn en glanzig als zilver.

Sluiten