is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geknot worden, en die dan uit de overgebleven stompjes betrekkelijk lange takken met kleine bloemen doen te voorschijn komen.

Als van een kruidachtige plant, welker hoofdstengel met een langen tros is afgesloten, niet de geheele bloemtros, doch slechts afzonderlijke bloemknoppen worden weggenomen, en wel in de volgorde van onderen naar boven, en altijd kort vóór ze opengaan, dan verlengt zich de spil van den tros aanmerkelijk, en er komen aan den top bloemknoppen tot ontwikkeling, die zich, als de verminking niet had plaats gehad, zeker niet zouden hebben ontplooid. Zoo bijvoorbeeld verlengt zich de spil van den bloemtros van het | bij ons ook wel voorkomende] Paarsche Vingerhoedskruid, Digitalis purpurea, die op de aangegeven wijze wordt beschadigd, met meer dan liet dubbele en ontwikkelt tweemaal zooveel bloemen, als anders het geval zou zijn geweest. De laatste en bovenste bloemen zijn aan zulke trossen echter de helft kleiner dan die, welke aan de niet beschadigde trossen ontstaan.

Hier moeten wij ook de overblijvende weideplanten noemen, die door de beschadiging van het afmaaien geprikkeld worden, nog in hetzelfde jaar die bloeiende stengels te ontwikkelen, die anders eerst in het daaropvolgend jaar tol bloei zouden komen. In de Alpendalen is liet een zeer gewoon verschijnsel, dat op de weiden, die in den voorzomer gemaaid werden, in den herfst de bloemen der voorjaarsplanten voor den dag komen, als Anemone vernalix, Geranium si/lratirum, (ientiana vema, I'ohjt/onuin bistoda, Primula elatior, Primula farinosa, Trollius europaeus e. a. Wat aan deze bloemen dadelijk in het oog valt, is hun kleinheid. Hun middellijn is, in vergelijking met die der in het voorjaar bloeiende, ten minste een derde kleiner geworden.

Ten slotte moge nog worden herinnerd aan liet reeds bij een vorige gelegenheid besproken kweekerskunststuk, 0111 uit de éénjarige Kesedaplaut overblijvende planten niet houtigen stengel te doen voortkomen, zooals op blz. i,3° van ,)eel 111 is vermeld. Ook moeten hier nog genoemd worden de door verminking in verbinding met enting te voorschijn geroepen dwergheesters en dwergboompjes, met name de zoo bijzonder merkwaardig eruit ziende kleine Klimopboompjes, die door enten van bloeiende klimoptakken op overeindstaande stammetjes van een paar decimeter ontstaan, en aan de door de Japanneezen met voorliefde gekweekte dwergachtige coniferen.

Het is herhaaldelijk voorgekomen, dat beschadigde planten door kweekers en ook door plantkundigen als andere soorten, bastaarden of variëteiten werden verklaard en aangeduid. Zij zijn nog het eene, noch het andere. Het eigenaardige aanzien der ten gevolge van verminkingen veranderde plantendeelen is bij elke soort reeds van te voren nauwkeurig bepaald; het vindt zijn verklaring in de specifieke gesteldheid, den eigen aard van de soort en behoort dus tot het innerlijk wezen dier soort. Het wordt ook niet veroorzaakt door die uitwendige invloeden, die leiden tot het ontstaan van variëteiten, maar ontstaat onafhankelijk van invloeden van klimaat en bodem, uit innerlijke noodzaak.