Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gallen saamgevat. De dieren, die de oorzaak van deze cecidiën zijn, vertoeven levenslang aan de buitenzijde der aangetaste bladeren, vermenigvuldigen zich daar en zetten hun eieren op de opperhuid der bladeren af. Door den prikkel, dien de dieren uitoefenen op de plek, waar zij zich hebben gevestigd, ontstaat daar eene woekering in bepaalde lagen van het celweefsel. Er ontstaan ten gevolge daarvan holten, die tot woning dienen voor de dieren en hun broedsel, en die deze als een beschuttende mantel omgeven.

Met het oog op de ontwikkelingsgeschiedenis laten zich de mantelgallen onderscheiden in rolgallen, uitstulpingsgallen en omh u 1 se lgallen.

De rolgallen worden door g a 1 m ij t e n, door bladvlooien en bladluizen, en ook wel door vliegen veroorzaakt en zijn meestal geplaatst op de bladschijven, soms, maar niet zoo dikwijls, ook wel op de bladstelen. Het door genoemde dieren aangetaste weefsel, dat zicli onder gewone omstandigheden vlak uitgespreid zou hebben, groeit aan de eene zijde van het blad sterker dan aan de andere, en het gevolg van dien ongelijken groei is de vorming van een rol, of wel van een holte, waarin de dieren, die zich er hebben gevestigd, zijn geborgen. Steeds is het de door de dieren bezette zijde, die door de oprolling van den binnenwand do holte vormt, en geregeld worden de aangetaste bladeren in de lengte opgerold.

Bij de Alpenrozen, Jtliododendron; de Bloedroode Ooievaarsbek. Geranium mnguineum en de Melden, Atri/rfex hastata, Atriplex oblongifolia e. a. is het de bovenkant; bij de niet-windende Kamperfoeliesoorten, als Lonicera xylosteum, Uoode Kamperfoelie, de onderkant der bladschijf, die door de dieren bewoond wordt en dus den binnenwand van den rol vormt. In vele gevallen is de geheele bladschijf bij de rolling betrokken, maar vaker beperkt zich de verandering slechts tot den bladrand, en in dat geval schijnt dan deze omzoomd door een gezwollen of gegolfde, hier en daar knoopige verdikking. Bij de Alpenrozen Rhodod endron femigineum en Rhododendron hirsitum, zijn beide helften van do bladschijf spiralig opgerold, zooals op de groote plaat der gallen op blz. 63 in Fig. 2 is te zien, maar meestal is de oprolling zoo beperkt, dat de rolgal den vorm van een bootje of open holte aanneemt.

Soms gaat met de oprolling ook een verandering van de gedaante van het blad gepaard. Zoo bijvoorbeeld doet zich bij het blad van den Zilverspar, Populus al ba, dat reeds in zeer jeugdigen toestand door de bladluis Pachgpappa vesieaÜK wordt bewoond, niet enkel eene oprolling voor, maar het blad wordt ook sterk ingesneden. In plaats van de stompe, korte lobben, ontstaan spitse, lange slippen, die, nadat de rolling heeft plaats gehad, zich over elkander heen leggen, elkaar kruisen en de mantelgal aan den hollen kant met een formeel traliewerk afsluiten. Een vergroeiing van die plekken, waar de weefsels ten gevolge der oprolliug met elkander in aanraking komen, heeft niet plaats, en dus is de holte, waarin de gallenvormende diertjes wonen, met de buitenwereld altijd door een open blijvende spleet verbonden. In de meeste gevallen is het weefsel der rolgallen verdikt, gebarsten, meer of minder van chlorophyl beroofd en dus geelachtig van kleur. Niet zelden vertoont zich ook een roode

Sluiten