Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De pantserlaag en de schorslaag zijn op de meest verschillende manieren ingericht als beschuttingsmiddelen voor de gal, eenerzijds tegen liet gevaar van uitdroging in den warmen zomer, anderzijds tegen aanvallen van vogels en andere dieren. Met liet oog op dat laatste is die schorslaag vaak op dezelfde wijze gevormd als de vruchtwanden, die liet zaad, en dus de kiem, hebben te beschermen. zooals op blz. 517 van Deel III is uiteengezet. Zoo wordt de aanwezigheid verklaard van de scherpe stoffen, harde schalen, wollige overtrekken, wijduitstaande aanhangsels en talrijke andere beschuttende middelen, die op de gallen zoo goed als op do vruchten te zien zijn en waaraan voor een niet gering deel de merkwaardige gelijkenis van gallen en vruchten is toe te schrijven. Menige eigenaardige vorming op de oppervlakte van deze op vruchten gelijkende gallen is intusschen uit dit gezichtspunt alleen nog niet te verklaren, en daarin kunnen, als in zoovele andere gevallen, nog andere voordeelen zijn gelegen, waarvan de beteekenis ons 1111 nog niet duidelijk is.

De tusschen vruchten en merggallen bestaande uitwendige gelijkenis geeft ons bruikbare punten van vergelijking, 0111 de laatste ineen overzicht tot groepen te rangschikken en ze dus te verdoelen in besachtige, steenvruchtachtige, appel achtige, nootachtige, doosvruchtacht ige gallen enz.

De op de meeldraadbloemen van den Oostenrijkschen Eik; Quercu* inisfriaca, door Amfricus grossulnriae veroorzaakte enkelvoudige gal heeft niet alleen den vorm en de grootte van een aalbes, maar is ook rood gekleurd 011 saprijk, en als aan een inflorescentie van genoemden eik gelijktijdig verscheidene van zulke gallen tot ontwikkeling zijn gekomen, is men op het eerste gezicht werkelijk geneigd te gelooven, dat trossen van oen Aalbessenstruik door een of ander toeval op do eikentakken zijn terecht gekomen.

De door de Beukengalmerg, Hormomgia (Oligotrophus) fagi, veroorzaakte gallen op do bladeren van den Beuk, Fngus sylmtka, lijken daarentegen op kleine steenvruchten, in zoo ver ze een pantserlaag bezitten, die met den steen, en een cellenlaag, die met het vruchtvleesch van een steenvrucht te vergelijken is. Ook de gallen op de vruchtbeginsels van verscheiden Lipbloemigen, met name op een soort van Kattekruid, Nepeta pannonira, afgebeeld op blz. 84 in Fig. 11 tot 14, en veroorzaakt door ae gal wesp Aulas Kvrneri, en die op de gewone Salie, Salciit officinulis, veroorzaakt dooide galwesp Aulax salriae, bootsen de gedaante van steenvruchten na. Het insect legt zijn eieren in een der vier vruchtbeginsels, die beneden in de bloem te vinden zijn. Dat vruchtbeginsel groeit 1111 binnen een week uit tot een glad, geelachtig groen kogeltje, t welk al van buiten het aanzien heeft van een vrucht van de Nogelkers. Prunus padus. Do doorsnede leert, dat het ook volkomen denzelfden bouw vertoont als een kers, een pruim, of andere steenvrucht. De saprijke buitenlaag omgeeft een harde, steenachtige kern, en in de holte van dien steen ligt in plaats van het zaad de witte larve van 't insect, dat do gal heeft teweeggebracht. Evenals vruchten vallen deze gallen dan in Juli af, komen op den grond te liggen, overwinteren daar, en eerst in het volgend jaar

A. Kfrvrr vov Martt.aün. net. leven dor planten. IV. £

Sluiten