Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die de gallen voortbrengen. Deze zijn ten opzichte van de plaats, waar zij hun eieren leggen, in het algemeen zeer kieskeurig,? en het is inderdaad verrassend, met hoeveel vindingrijkheid door hen zeer verscholen en moeilijk bereikbare plekjes worden opgezocht, ten einde ervoor te zorgen, dat de uit het ei komende larven niet alleen voedsel, maar ook een veilige verblijfplaats zullen vinden. De kleine galwesp BlaMophaga grossorum legt hare eieren in de vruchtbeginsels van de zoogenaamde „galbloemen", midden in de urnen van Ficus carica, op blz. 182 van Deel III besproken en daar afgebeeld op blz. 179 in Fig. 14 en 15; de galwespen, Andricus amenti, en Neuroterus Schlechtendali leggen ze in de meeldraden van den Oostenrijkschen Eik; de galwesp Cgnips cc/put Medustae legt ze tegen de schutblaadjes, die de vrouwelijke bloemen van de Eiken Quercus sessiliflora en Quercus puhesrens omgeven, veroorzaakt daar een gal met ontelbare, verward dooreengevlochten, stijve en spitse aanhangseltjes of franjes, die de aanvallen van andere dieren afweren, en die op blz. 7:5 in Fig. 10 zijn afgebeeld.

Tallooze ga 11 en veroorzakende insecten leggen de eieren aan de benedenzijde van bladeren, waarbij enkele de voorkeur geven aan het groene weefsel, andere aan de nerven. Andricus curnitor kiest met voorliefde den rand van eikenbladeren; verscheiden galwespen, als bijvoorbeeld Andricus uestivalis en Andricus grossulariae zoeken de as eener plant en wel den bloembodem in de bloeikatjes van den Oostenrijkschen Eik, om daar hunne eieren in af te zetten, en zeer dikwijls gaan merggallen uit van de schors van takken en twijgen, waarin met name sommige ('ynipiden, als Aphilotrix Sieho/di hun eieren leggen. Van de door hen veroorzaakte gallen is er een groepje afgebeeld op blz. 7'.\ in Fig. 1. Het minst dikwijls ontstaan de merggallen op de wortels, maar toch zijn er op die plaats enkele waargenomen en wel veroorzaakt door de galwesp . I philotrir rndicis en biorhizu a/itcru.

De bedoelde door Aphilothri.r Sicbohii veroorzaakte gal, afgebeeld op blz. 73 in Fig. 1, is vooral ook daardoor opmerkenswaardig, doordat op hare oppervlakte een kleverig, zoetsmakend vocht wordt afgescheiden, dat kleine mieren aanlokt. De mieren trachten deze bron van voedsel, liet zoete vocht op de gallen, voor zich alleen te houden en weren allo andere dieren, die deze gallen willen naderen, af. In zoo ver spelen zij de rol van bewakers der gallen en beschermen de voortbrengers en de bewoners tegen de vervolging van verscheidene woekerdieren, met name van de soorten der geslachten Torgmus en Syncrgus. Men wordt daardoor sterk herinnerd aan de in Deel II op blz. 99 en 100 geschetste en afgebeelde, beschuttende inrichtingen der bladeren van Cecropia. Nog valt hierbij op te merken, dat de mieren dikwijls uit zand en aarde een volledigen mantel om de door Apliilotrix Sieboldi veroorzaakte gallen vervaardigen, om het zoete vocht ongestoord te kunnen genieten, zoodat daardoor de bescherming nog meer afdoende wordt.

Samengestelde gallen worden die gallen genoemd, voor welker opbouw verscheiden onmiddellijk aan elkaar grenzende leden eener plant worden aangewend. Zij kunnen worden gebracht tot drie groepen, de propgallen, dekoekoeksgallen en de klontgallcn.

Sluiten