Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de takken van den Wintereik, Quercus sessiliflora, door de galwesp Dryoterus terminalis, wordt veroorzaakt, en die in haren vorm een weinig aan een aardappel herinnert. Evenals bij den aardappel zijn namelijk ook bij deze gal de bladeren alleen door flauwe verhevenheidjes en bultjes aangeduid.

Tot deze afdeeling van de propgallen behooren ook nog die, welke in Duitschland meer bepaald den naam „Knopper" dragen en onder dezen naam inden handel worden geluacht, welke benaming op de geheele eerste groep der samengestelde gallon is overgegaan, [en waarvoor wij de benamingen prop en propgallen hebben gekozen]. Het zijn de door Cynips calicis op den Wintereik teweeggebrachte, hoekige en onregelmatig gegroefde gallen, die uit den top van een bloeiende as ontstaan en niet alleen de vruchtbeginsels, maar ook do uit verschillende dekschubben samengestelde napjes mee in de woekering betrekken. Ook passen in deze afdeeling der gallen nog de onregelmatige, plompe verdikkingen van den Klaterpopulier of Esp, Populus tremula, die door de larve van een kever, de Kleine Populier bok tor, Sa per da populnea, alsook de meerhokkige, houtige kankerwoekeringen van de grootte eener noot, die aan de takken der Wilgen door S'cmatus medullaris, een soort van bladwesp, worden veroorzaakt.

Als voorbeeld van bebladerde propgallen kan allereerst de op blz. 73 in Fit). 7 afgebeelde gal dienen, die door de galwesp Aphilothrix gemmae op verschillende Eiken, als den Zomereik, Quercus jteilunculata; den Wintereik, Quercus sessiliflora en Quercus pubescens ontstaat. Zij doet denken aan een hopbel of larikskegeltje, ontwikkelt zich uit de bladknoppen der genoemde Eiken, vertoont een sterk verkorte, gezwollen as, welker weefsel zich gesplitst heeft in een bnitengal en een binnengal, en is met talrijke verdroogde, bruine, lancetvormige, behaarde schubben bezet, die er als schutblaadjes uitzien. Propgallen, die met groene bladeren zijn bezet, worden door de galwesp Ainlricus in fla tor op den Wintereik, doch voornamelijk door boorvliegen en galwespen op kruidachtige gewassen, met name door de boorvlieg Vrophora cardui op Cirsium arvense, de Akker Vederdistel; door de galwesp JJidatrophus scdhiosue op verscheiden Centaurias, als Centaurea alpestris, Centauren hadensis en Centauren scuhiosa; door Aulax hieracii, eveneens een galwesp, op verschillende Havikskruiden, als Hieraeium murorum, sylcaticum en tridentiitum, tevoorschijn geroepen.

Gewoonlijk zijn die bladeren op gallen voor een deel gebrekkig ontwikkeld, en niet zelden is van enkele bladeren de bladschijf geheel mislukt, zoodat dan de gal op die plaatsen alleen van de schubvormige bladscheeden is voorzien. Een op het eiland Kreta inheemsche Salie soort is zoo dikwijls bezet met bebladerde, op kleine Kweepeertjes gelijkende, door een Aulax-soovt veroorzaakte propgallen, dat ze door Linnaeus Salria pomifera, dat is „Appeldragende Salie" werd genoemd. De stengel van deze plant is tot een bolletje opgezwollen, en de ronde, van buiten grijsachtige massa is van boven bezet met een groep kleine, rimpelige bladeren, die den op de vrucht achtorbl ij venden kelk van een Kweepeer nabootsen. De bekendste en meest verbreide van de

Sluiten