Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door, dat in hun vorming niet slechts een afzonderlijk lid van de plant of slechts een doel van een lid mee betrokken is geworden, maar dat een geheele groep bijeengeplaatste leden er deel aan heeft.

De bekendste en meest verspreide gallen uit deze groep zijn de Spar rega llen, teweeggebracht door de bladluis diennes abietis, aan de takken van de Gewone Spar, Abies (Picea) excelsa; zij is afgebeeld op blz. 68 in Fig. 1. Een der „stammoeders", zooals de ongevleugelde wijfjes van deze bladluis worden genoemd, zuigt zich vroeg in het voorjaar, eer nog de bladknoppen der Sparren zich beginnen te zwellen, aan de onderste knopschub vast en zet daar een hoopje eieren af. De verwonding, door het zuigen ontstaan, en nog meer het inbrengen van stoffen, die van het zuigende dier afkomstig zijn, in het beschadigde weefsel, brengt in het daarboven liggende gedeelte van de loot de merkwaardigste veranderingen teweeg. De as van de spruit verdikt zich. De basis der van de as uitgaande naaldvormige bladeren zwelt op en wordt tot een week, witachtig, saprijk weefsel, welks cellen, onder andere stoffen, ook zetmeelkorrels in groote hoeveelheid bevatten. Het vrije uiteinde dier naalden behoudt den vorm en de donkergroene kleur der gewone sparrenaalden en staat op den kussenvormigen, lichtgekleurden voet. Intusschen zijn uit de eieren, die door de stammoeder gelegd werden, jonge dieren gekropen, die hun geboorteplaats verlaten, omhoog kruipen naar het onveranderde deel van de loot en zicli daar verdoelen.

Nu begint, ten gevolge van den prikkel, dien de dieren op hunne onderlaag uitoefenen, eene nieuwe woekering in het bleeke, kussen vorm ige weefsel. Er verrijzen walletjes en uitsteeksels en opstaande randen, vooral aan den voorkant van ieder kussentje, de aan elkander grenzende randen sluiten zich aaneen en de jonge bladluizen worden ingepakt als in een doosje. Zij blijven daar in de door die overgroeiing ontstane kleine holten, voeden er zich, vervellen en vermenigvuldigen zich. Eerst in Augustus begint de gal uit te drogen; elk der kleine holten gaat vóór de op het kussen geplaatste groene naald met een dwarsspleet open (zie de afbeelding van blz. 08 in Fit/. 1), en de bladluizen verlaten nu de ruimten, waarin zij liet voorjaar en den zomer hebben doorgebracht.

Bijna even veelvuldig als op do Sparren worden de koekoeksgallen aangetroffen op de planten uit de familie der Sterbladigen, met name op verscheiden soorten van Walstroo, Galium, zooals (in hum uuMnucum, boreale, en uliijinosuiii, en van K u w kruid, Asperufa, als Asperulu yalioides, tinctoria e. a. De aangetaste deelen der spruiten blijven verkort, en aan den voet der spruit ontstaan witte, sponsachtige, kussenvormige woekeringen, die een weinig gootvormig uitgediept zijn. Doordat de woekerende weefsels van de aan elkander grenzende bladeren zich aaneensluiten, worden de groef- of gootvormige inzinkingen tot kleine holten, waarin de larven van de gallenvoortbrengende muggen, Cecidomyia (JUchelomyia) yalii en asperulae leven.

Bij (ialium elatum en GalHutu erertum, (samen onder den naam (Jtdium mollui/o samengevat) gaan de bedoelde sponsachtige woekeringen niet van den

Sluiten