Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op verschillende Bloembiezen, met name op Juncus alpinus, Alpen Bloembies, en Juncus lamprocarpus, Water Bloembies, worden dooreen bladvloo, Livia juncorum, gallen teweeggebracht, die op een kwast gelijken. De as van de aangetaste spruit is verkort; de elkander bedekkende scheeden der bladeren zijn zeer verbreed, van bleeke grondkleur, aan de zonzijde rood aangeloopen en maken den indruk van het bekleedsel, dat de haren van een kwast bijeenhoudt. De verkorte, groene bladeren, boven die scheeden gezeten, zijn daarentegen draadvormig en als de losse einden van een kwast gegroepeerd. Niet zelden ontstaan in de oksels van sommige der bladeren, tot zulk een kwast behoorende, korte zijspruiten, die er weer als kwasten uitzien, zoodat de geheele gal het aanzien heeft van een bundeltje bijeengebonden kwasten.

Bij deze klontgallen op de halmen der Bloembiezen sluiten zich aan de aan pluimen en heksenbesems herinnerende, onder den naam „ Wirrzopf', Warkuif, bekende, door mijten veroorzaakte gallen op de takken van sommige Wilgen, met name van den Schiet wilg, Salix tdba. In de plaats van de bebladerde, lange wilgenroeden, die in normale omstandigheden uit een bladknop te voorschijn zouden zijn gekomen, is er een wirwar van takken met kleine blaadjes ontstaan, waarvan men eerst niet begrijpt, hoe het in elkander zit. Bij nauwkeuriger beschouwing bemerkt men, dat de as van de in den knop aangelegde spruit kort gebleven is, en dat uit de oksels der bladeren zijspruiten, uit de oksels der bladeren van deze zijspruiten op nieuw spruiten, en zoo verder spruiten van den derden, vierden en vijfden rang zijn voortgekomen. Dus zijn hier in den loop van een maand spruiten ontstaan, die zonder den invloed van de galmijten eerst in den loop van drie, vier, vijf of zes jaren op elkander zouden zijn gevolgd, en wij hebben bij deze gallen dus weer een van de verschijnselen, die de botanici als prolepsis hebben aangeduid. Natuurlijk zijn alle assen van deze spruiten in hun lengtegroei belemmerd, terwijl de bladeren eraan verkleind zijn. De verkorting en verkleining neemt langzamerhand toe en wel zóó, dat de assen en bladeren aan de loten van den vierden en den vijfden rang veel kleiner zijn dan die van den tweeden en derden rang. De laatste zijspruiten blijven knopvormig en hun schubvormige, kleine blaadjes bedekken elkander onderling als de schubjes op het omwindsel van Composieten of Samengesteldbloemigen.

Ken dergelijken bouw, als deze samengestelde gallen van sommige W ilgen, hebben ook de door galmijten teweeggebrachte „heks en bezems" op de struiken van Si/ringn cuhjaris, den Gewonen Sering en van den L iguster, Ligustrum vulgare. Menigmaal plant zich de vervorming der bladeren aan de assen van den derden, vierden en vijfden rang bij hen voort tot in het bereik der bloem, en zulke gevallen vormen dan in zekeren zin een verbindend lid tusschen de klontgallen van den trap der bladeren tot die van don trap der bloemen.

Als er sprake is van de vervorming der bloemen door klontgallen, komt natuurlijk een der meest in 't oog vallende veranderingen, die de laatst besproken galvormingcn kenmerkt, namelijk de verkorting der as, niet in aan-

Sluiten