Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onbekende gallen voegen; maar het is te verwachten, dat zij altijd weder zich of in de eene 5f in de andere der boven genoemde groepen zullen laten invoegen.

Voor dit deel van „Het Leven der Planten", waarin de vraag naar het ontstaan der soorten wordt behandeld, hebben de galvormingen om die reden een bijzondere beteekenis, omdat men daarbij het duidelijkst kan aantoonen, hoe het komt, dat bij de voltooiing van een plantendeel diep ingrijpende afwijkingen van het oorspronkelijk bouwplan kunnen optreden.

Men moet in de eerste plaats voor oogen houden, dat de zoo eindeloos afwisselende vormingen, die wij gallen noemen, niet tot stand zouden komen, als niet mijten, bladluizen, vliegen, wespen e. a. hun invloed op de planten lieten gelden. De bladeren van Bhoilodendron zou men niet opgerold vinden, maar vlak uitgespreid, als do galmijt Phytoptus ol-pestris zich op een afstand had gehouden; van de takken van Pistacia lentiscus zouden geen vleezige, roode, op peulen gelijkende deelen, maar gevinde bladeren met glanzige, donkergroene blaadjes uitgaan, als ze niet door bladluizen aangetast waren geworden; de bladknop van Quercus pubescens zou niet tot een mispelachtig, met merg gevuld voorwerp, maar tot een lange, bebladerde loot uitgroeien, als niet de galmug Cynips polycera veranderend was opgetreden; de topstandige bladeren van Thymus zouden niet cirkelrond en witviltig, maar spatelvormig, groen en kaal zijn, als niet de galmijt Phytoptus Thomasi zich erop had gevestigd. Ook zouden de bloemen van Phododendron ferruyineum, van Lychnis riscaria, van Veronica officinalis e. a. niet gevuld zijn geworden, en de meeldraden in die bloemen zouden niet in kroonbladeren veranderd zijn, als niet galmijten er hunnen invloed op hadden uitgeoefend.

Dat de invloed van de bewuste diertjes zich alleen kan doen gelden, als het aangetaste plantendeel zich nog in jeugdigen toestand bevindt, spreekt vanzelf. Volwassen stengels en bladeren kunnen door de genoemde dieren wel aangevreten en verwoest, maar niet vervormd worden. In den eersten, jeugdigen toestand der plantendeelen, als de dieren hun invloed doen gelden, hebben echter, die deelen eigenlijk nog geen bepaalden vorm aangenomen. Bladeren, stengels, spruiten komen voort uit weefsels, die den vorm van kleine verhevenheden en aanzwellingen hebben, en elk van deze heeft weer zijn oorsprong in een enkele cel, waaraan men niet kan bespeuren, wat er uit haar zal worden. Niettemin is, zooals de ervaring leert, het bouwplan voor het uit dien aanleg voortkomende plantendeel bij elke soort van te voren nauwkeurig bepaald, en men mag aannemen, dat het bouwplan zijn grondslag vindt in de speciiieke gesteldheid van het protoplasma der plant, of wel van dat der cel, die den aanleg vormt van het uitgroeiende blad of den zich ontwikkelenden stengel. Als door de genoemde dieren een wijziging van dit bouwplan veroorzaakt wordt, kan dat alleen gebeuren, doordat de specifieke gesteldheid van het protoplasma gewijzigd wordt.

Op welke wijze dat geschiedt, dit is nu juist het groote raadsel, dat de natuuronderzoekers tegenwoordig bezighoudt. Vroeger dacht men alge-

Sluiten