is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat het bouwplan, volgens hetwelk deze weefsels vorm en gestalte aannemen, afwijkt van dat, 't welk zonder den invloed der bedoelde stoffen zou gevolgd zijn, treedt steeds duidelijk aan het licht. Maar daaruit mag men dan ook besluiten, dat de door de dieren afgescheiden stoffen het vermogen bezitten, de het eigenlijke wezen der soort uitmakende specifieke gesteldheid van het protoplasma, in de onder hunnen invloed gekomen plantencellen, te veranderen.

Yan bijzonder gewicht is ook de herhaaldelijk gedane waarneming, dat niet enkel het protoplasma van die cellen, waarop de door de dieren afgescheiden stoffen onmiddellijk werken, geprikkeld wordt tot een veranderde wijze van werken of opbouwen, maar dat de invloed zich van cel tot cel voortplant en zich tot steeds wijder kringen uitstrekt. De schildluis diennes abietis zuigt zich aan een blaadje van een denneknop vast en kan slechts op enkele weinige cellen van de in dezen knop geborgen jonge spruit onmiddellijk werken. Niettemin beginnen spoedig daarop duizenden van cellen, aan de uit den knop naar buiten groeiende loot, een veranderde gedaante aan te nemen, een proces, dat levendig aan de werking van de giststoffen of enzymen herinnert, waarover in Deel II op blz. 120 gesproken is.

Ook wordt men bij deze werking der gallenveroorzakende diertjes aan den invloed herinnerd, dien het spermatoplasma op liet vruchtbeginsel heeft. Het spermatoplasma komt slechts met enkele weinige protoplasten van den zaadknop onmiddellijk in wisselwerking, maar van deze protoplasten plant de invloed zich naar alle kanten voort, breidt zich uit over de vruchtbladen en den bloembodem, ja zelfs nog daarbuiten tot den bloemsteel. Al deze doelen zouden niet de gedaante aannemen, die zij feitelijk verkrijgen, als niet de zeer kleine hoeveelheid van het spermatoplasma uit een stuifmeelcel zich had verbonden met het protoplasma in enkele cellen van den zaadknop.

Het is hier ook de plaats, terug te komen op de reeds herhaaldelijk aangeduide overeenkomst van de gallen met vruchten. Als de aanleg deibladeren in den knop van een P/x/rfc/a-struik niet onder den invloed komt van bladluizen, ontwikkelt hij zich tot glanzig groene, gevinde bladeren; als echter liet protoplasma in enkele cellen van deze beginnende bladeren door de vochten van de bladluis l'emphi'/us comkuliiriux wordt veranderd, neemt diezelfde aanleg den vorm aan van een vruchtblad en wordt tot een hol voorwerp, dat verrassend veel gelijkt op een peul. Door de omstandigheid, dat do Pistaeia-straik geen peulen, maar steenvruchten ontwikkelt, wordt de zaak nog des te merkwaardiger, want wat daar door den invloed der vochten van het dier ontstaat, is in volwassen toestand een weefsellichaam, dat niet, zooals men zou verwachten, de vrucht der Pistacia nabootst, maar die van een geheel andere plantensoort.

Eveneens is het gesteld met de vervorming van do bovenste bladeren van Jeneverbes, Juniperus communis, door den invloed der vochten van de galinug Ifoiniomyia juiiipcriim tot een voorwerp, dat groote gelijkenis vertoont mot de vrucht van den Levensboom, Thuja. Zoo zouden nog tal van andere gevallen kunnen worden genoemd, waarin aan bepaalde soorten van planten