Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onwetendheid en zelfbedrog erbij in 't spel komen. In vroegeren tijd meenden vele kweekers, dat het voor het scheppen van nieuwe vormen voldoende was, wanneer verschillende soorten in eikaars onmiddellijke nabijheid werden geplant. Oogstte men dan van deze planten de zaden en zaaide ze in goeden grond uit, dan zou men onder de jonge plantjes altijd enkele afwijkende vormen aantreffen. Deze moest men er uitkiezen, bijzonder zorgvuldig opkweeken en als uitgangspunten voor nieuwe vormen behandelen.

De tuiniers, die op die wijze te werk gingen, hadden dan zeker zelf geen kruising tusschen de bloemen te weeggebracht, en wanneer zij dit verklaarden zoo spraken ze geen onwaarheid; maar de kruising werd buiten hun weten door bijen, hommels en andere insecten volbracht, en het dicht bij elkaar plaatsen der verschillende soorten gaf alleen het voordeel, dat het overbrengen van het stuifmeel van de eene soort op de stempels der ander soort er gemakkelijk dooi- gemaakt werd.

Een beroemd kweeker uit de oude school verzekerde eens, dat hij de door hem verzorgde gewassen niet zelf kruiste, maar dat hij herhaaldelijk had gezien, hoe in den vroegen morgen, kort nadat de bloemen van ééne soort waren ontloken, zich daaruit uiterst lijne draden ontwikkelden, die zich naar alle kanten richten, en reikten tot aan de bloemen van andere planten, zoodat zich na korten tijd een net had gevormd, niet ongelijk aan een spinneweb! Zulke grove verzinsels zou ieder man van wetenschap wel terstond hebben doorschouwd en hebben verworpen; maar intusschen is hot toch ook voorgekomen, dat onware of onjuiste berichten van kweekers, die den stempel der onwaarschijnlijkheid niet zóó duidelijk lieten uitkomen, geloof vonden en in de boeken werden binnengesmokkeld, vooral in de boeken van die kamergeleerden, die niet zelf gingen onderzoeken, om met eigen oogen de in den tuin gedane proeven van 't begin tot hot einde te contróleeren. Niet zelden werden dan zulke berichten als „ervaringen, van geloofwaardige kweekers" als grondslag gebezigd voor de „op feiten steunende wetten" en er werden dan stellingen verkondigd, die van 't eene geslacht op het andere als dwalingen overgingen. Het is moeilijk, zulke stellingen later weer uit te drijven, vooral wanneer zij door op don voorgrond tredende geleerden konden gebruikt worden als steun voor hunne hypothesen.

Als een leerrijk voorbeeld ter toelichting van het boven gezegde moge hier worden vermeld, dat langen tijd in botanische werken de volgende leerstelling te vinden was: „De uit twee soorten ontstane bastaarden hebben tweeërlei vorm, al naar gelang bij hunne verwekking het eene of het andere stuifmeel is gebezigd". Men kan natuurlijk twee stamsoorten, die door de letters A en B mogen worden aangeduid, op tweeërlei manier kruisen. l)eu eenen keer neemt men liet stuifmeel van A en brengt het op den stempel van B; den anderen neemt men stuifmeel van li en legt het op den stempel van A. Nu werd er beweerd, dat aan de gedaante van de bastaardplant terstond zou zijn te herkennen, van welke der beide stamsoorten het stuifmeel werd genomen. De hybride zou, wat hare bloemen betreft, meer gelijken op die stamsoort, waaraan het stuifmeel werd ontleend, terwijl ze in haar bladeren zich nauwer

Sluiten