is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onveranderd handhaven bij de nakomelingschap, en dat geschiedt feitelijk 111 al die gevallen, waarin men de benaming ras wilde invoeren. Door het gebruik van dien naam zou het begrip soort een geheel anderen inhoud verkrijgen, dan Linnaeus met logische juistheid heeft vastgesteld. De soort zou niet meer zijn de samenvatting van gelijkgevormde, maar de samenvatting van ongelijk gevormde individuen; zij zou een groep van systematische eenheden voorstellen

en niet de systematische eenheid zelve.

Wil men de tot groepen vereenigde, na verwante soorten van de door opvallende kenteekenen afwijkende en slechts in de verte verwante soorten, naar liet voorbeeld der Fransche vakmannen, als kleine en groote soorten, petites espèces en grand es es^ces, onderscheiden, dan zou daardoor genoeg recht zijn gedaan aan de feitelijk bestaande, trapsgewijs grooter wordende verscheidenheid; maar de invoering van de benaming ras. naast de aanduiding soort, leidt tot de voorstelling, dat er een grens tusschen die twee bestaat, wat in werkelijkheid niet het geval is. Als er echter geene scherpe grens tusschen ras en soort bestaat, dan vervalt ook de onderscheiding van bastaarden uit rassen of mestiezen en de eigenlijke bastaarden uit soorten, en daarmee is ook uitgesproken, dat do leerstelling, waarnaar alleen de uit rassen voortgekomen bastaarden vruchtbaar zouden zijn, moet vervallen.

Er bestaat werkelijk, wat de vruchtbaarheid betreft, geen verschil tusschen bastaarden en soorten. Bij de eenen zoowel als bi, de anderen vindt men die inrichtingen der bloemen, waarvan in het Deel 111 van dit werk is aangetoond, dat zij de bedoeling hebben kruisbestuiving, en eerst als deze uitblijft, autogamie tot stand te brengen; bij de eenen zoowel als bij de anderen hebben, ten gevolge van die inrichtingen, dikwijls kruisingen plaats, en bij de eenen zoowel als bij de anderen komen vormen voor, waarbij de autogamie geen resultaat oplevert, en die alleen ten gevolge van geitonogamie of xenogamie vruchten en kiemkrachtige zaden ontwikkelen. Daar mede bewezen is, «lat ook de bastaarden, indien stuifmeel van een andere soort ervan verwijderd gehouden wordt, zich in onverandeiden \orm voortp anten, en daar bovendien bij de bastaarden, even goed als bij de soorten, in de p aats van door vruchten de vermeerdering langs ongeslachtelijken weg kan plaats hebben, en de krachtiger ontwikkeling der daarvoor dienende knoppen en andere deelen, voor 't geval de vruchten uitblijven, niet anders is bij de bastaarden dan bij de soorten, komt men tot het besluit, dat in zake de voortplanting er geen grens tusschen bastaarden en soorten bestaat.

Met het oog op deze omstandigheden heb ik reeds voor jaren V" »et Oosten,ijksch Botanisch Tijdschrift, XXI, blz. 34, 1871) de vraag gesteld of uit bastaarden soorten kunnen worden, en deze vraag heb ik in bevestigenden zin beantwoord. Van dit gezichtspunt uit beschouwd, krijgen do in de vrije natuur ontstane en nog aanhoudend ontstaande bastaarden eene hooge beteekenis, en het is van belang, zich een juist beeld van het voorkomen, het leven en de verspreiding dier bastaarden te vormen op die plaatsen, waar het planten-