is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als er ergens een wilgenbastaard is ontstaan en alle boomen alleen katjes met stuifmeelbloemen hebben, is natuurlijk een vermenigvuldiging van die plant door vruchten onmogelijk. Als zij alleen stamperbloemen dragen, kan wel een kruising met de stamouders plaats hebben en kunnen er dus wel goneoklinische bastaarden ontstaan, ook kunnen wel triplobastaarden worden gevormd, maar een onveranderde nakomelingschap is uit de vruchten van zulke wilgen niet te verwachten. Hetzelfde geldt van de Vederdistels, Cirsium, welker planten verdeeld worden in die, welke schijnbaar-tweeslachtige mannelijke 011 in andere, die schijnbaar-tweeslachtige vrouwelijke bloemen hebben (zie blz. 353).

Dit verklaart voldoende het verschijnsel, dat van Wilgen en Vederdistels, die toch voortdurend zoo tallooze bastaarden vormen, betrekkelijk zoo weinig gevallen bekend zijn, waarin men kan zeggen, dat er een begin is gemaakt met de voortbrenging eener nieuwe soort. Gewoonlijk zijn alle, op één plaats te voorschijn komende planten van eene Vederdistelhybride öf alleen van zuivere of schijnbaar-tweeslachtige meeldraadbloemen, 6f alleen van zuivere of schijnbaar-tweeslachtige stamperbloemen voorzien. De uit de laatste voortkomende goneoklinische bastaarden worden meestal 111 grootei aantal individuen aangetroffen; ook zijn onder deze individuen veel vaker beide geslachten vertegenwoordigd, en dus hebben deze ook veel meer kans, in stand te blijven.

Een andere voorwaarde voor de ontwikkeling van een bastaard tot een soort moet vervuld worden door de op de standplaats aanwezige omstandigheden. Als een plantensoort ergens goed gedijt, als zij op hare standplaats door een groot aantal planten is vertegenwoordigd en zich daar handhaaft en vermenigvuldigt in eene vrijwel zich gelijkblijvende nakomelingschap, mag men veronderstellen, dat hare organisatie goed past bij klimaat en bodem der gegeven standplaats. Indien die harmonie niet aanwezig was, zon van zulk een weeldeiig gedijen geen sprake kunnen zijn, en de soort moest er vroeger of later te gronde gaan en uitsterven. Die harmonie tusschen de omstandigheden, dooi klimaat en bodem geboden, en de in den uitwendigen vorm zich uitsprekende organisatie der plant, moet ook bij een nieuw gevormdo hybride aanwezig zijn, zullen zich de weinige indi\ i duen ervan, die hier of daar zijn opgeschoten, op de plaats hunner eerste vestiging handhaven en vermenigvuldigen, en zij tot uitgangspunten worden voor een talrijke nakomelingschap.

Soms is die overeenstemming aanwezig, soms ook niet. In het laatste geval zal de hybride spoedig na hare verschijning weer verdwijnen. Maar ook dan, als hare organisatie geschikt is voor klimaat en grond van de plaats van vestiging, moet zij nog een wedstrijd aangaan met de daar reeds gevestigde soorten, vooral met hare stamsooiten. Zoo deze op de bewuste plek weelderig en in groot aantal gedijen, is hot voor den nieuw te voorschijn gekomen vorm niet gemakkelijk, zich er te handhaven. Slechts in twee gevallen is er kans, dat de plaats van ontstaan tot een blijvende woon-

- ()

A. Kkrnk.k von marif.aun, Hot leven der planten. IV.