Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigen kracht te veranderen, zij is door de in het voorafgaande hoofdstuk meegedeelde ervaringen zoo afdoende weerlegd, dat het overbodig schijnt, er nog veel woorden aan te verspillen. Ik bepaal mij dus tot de opmerking, dat het volkomen onmogelijk is, een natuurlijke verklaring van zulk een proces te geven. Elke verandering moet een oorzaak hebben. De grondslagen, waarop de bestaande vorm berust, moeten geschokt en veranderd worden, zal er een nieuwe vorm ontstaan. „Inwendige oorzaken", „innerlijke drang , „vervormingsdrang , „neiging tot differentiëering", „streven naar volmaking , „beginsel van volkomenheid", 't zijn alles woorden, waarmee de natuuronderzoeker bij een poging, om do veranderingen op natuurlijke wijze door mechanischen arbeid te verklaren, niets weet aan te vangen. Ook met de metamorphose, de gedaanteverwisseling, die menig individu doormaakt en die zich voordoet als een verandering in \ 01111 gedurende de verschillende leeftijdstrappen, kan hier geen doelmatige vergelijking plaats hebben, want die metamorphose herhaalt zich bij elke soort steeds onveranderlijk naar het plan van aanleg, dat in de specifieke gesteldheid van het protoplasma is voorgeschreven. Dat echter het protoplasma van een *ooit, zonder prikkel van buiten, alleen uit eigen kracht zijn bouwplan zou kunnen veranderen, is met alle ervaring in zake de aan wetten gebonden werkingen der natuurkrachten lijnrecht in strijd. Zelfs de levenskracht, als rustende eneigie in het protoplasma gedacht, zou, in levende kracht omgezet, alleen bewegingen veroorzaken, die hun grond vinden in de specifieke gesteldheid van hot protoplasma.

En 1111 nog de voorstelling, dat do drang naar verandering %an \ 01111 tegelijk een drang ter volmaking is. Waarin moet dan bij de planten de volmaking bestaan. De leeken schijnen de hoornen, vooral die met helder gekleurde bloemen en smakelijke vruchten volmaakter te vinden dan de lage kruiden met nietige bloemen of do groene draadwieren, Spirogyra's, die geen bloemen bezitten. De voorstanders der volmakingstheorie zeggen, dat de grootste volkomenheid bestaat in den meest samengestelden bouw van het lichaam en in de verst doorgevoerde verdeeling van arbeid, en zij komen bij die opvatting eigenlijk niet verder dan het standpunt van den leek.

De samengesteldheid van het plantenlichaam en de verdeeling van arbeid zijn wel bij den appelboom verder gevorderd dan bij de in nieren en plassen levende Spirogyra's, maar men mag niet over 't hoofd zien, dat de opbouw van het plantenlichaam uit talrijke weefsels, het ontstaan van hout, bast en kurk in de stammen, de vorming van verdikte oppeihuidcellen, huidmondjes en haren op de bladeren, de ontwikkeling van allerlei kleurstoffen en aromatische stoffen in de bloembladeren, en van zoete vochten in het sappige weefsel der vruchten met de standplaats der planten samenhangt. Onder water zou de appelboom een slechte rol spelen: daar zou hij ondanks de rijke verscheidenheid zijner weefsels ongeschikt van vorm en lang niet volmaakt georganiseerd blijken, terwijl daar juist de Spirogyra's en andere wieren, die geen hout, geen huidmondjes en geen bloembladeren bezitten, maar daarentegen met andeie organen zijn toegerust, op hunne plaats zijn.

Voor een leek speelt bij de beoordeeling der meerdere of mindere vol-

Sluiten