Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VERSPREIDING DER SOORTEN DOOR VEGETATIEVE VERMENIGVULDIGING.

gaan die dorre, verlaten plekken door voor verzamelplaatsen der heksen, en vooral de Walpurgisnacht, 1 Mei, wordt beschouwd als het tijdstip, waarop deze heksenkringen ontstaan.

In Tirol, waar men die uitgedroogde cirkelvormige plekken en halfcirkelvormige strepen „Alberringe" noemt, gaat de sage, dat omstreeks Sint Marti nus, op 11 November, vooral echter ten tijde van den vasten sterrenregen om en bij den dag van den Sint Laurentius, 10 Augustus, de „Alber", een draak met vurigen staart over de weiden gaat, en ook de vallende sterren worden met dien vurigen staart van den Alber in verband gebracht. De Alber woont in een opening tusschen de rotsen; elk jaar verhuist hij op den aangeduiden tijd en vliegt over het dal naar een ander gat; daarbij beschrijft hij een grooten boog en strijkt met zijn vurigen staart over de weide. Op de aangeraakte plaatsen wordt het gras zoo erg verzengd, dat er vele jaren lang niets groeit; eerst na zeven jaren groeit er weer gras, en dan zelfs milder en weelderiger dan vroeger.

In Zweden noemt men die afgestorven plekken op de weiden Elfen ringen en Elfengangen en meent, dat daar elfen hare nachtelijke zwerftochten houden, er hun plaatsen van spel en dans hebben en het gras dan bederven, door liet plat te treden. | Alber en Elf zijn trouwens van denzelfden stam afgeleid, die w i t beduidt en o. a. ook in Alpen en in Albion voorkomt, bij beide laatste woorden respectievelijk de sneeuw op de toppen en het wit der krijtrotsen aanduidend |. De menschen mogen deze plaatsen niet betreden, anders worden ze overvallen door een ziekte, die men „Elfenblaster" noemt en die vooral voor kinderen hoogst gevaarlijk is.

Veel zeldzamer dan die door de onder den grond woekerende myceliën van de genoemde zwammen gevormde heksenkringen, zijn de heksenkringen van planten met onderaardsche wortelstokken eu uitloopers. Met name kunnen echter eenige Composieten als Peta sites niveus en officinalis (Groot Hoefblad), Arniea ehamissonis, Achilleu millefolium (Duizendblad), enkele Lipbloemigen, als Betonica grandiflora, Mentlut alpigena; dan Lisschen, als Iris arenaria en Pallasii; Grassen, Zeggen en Bloembiezen, als Hierochloa borealis, Sesleria coerulea, ('ares Schreberi, Juncus trifidus worden genoemd, die, als de omstandigheden van den grond het toelaten, zonder eenige medewerking van zwammen tot de vorming van ring- of kransvormig gerangschikt staande planten overgaan.

De groeiwijze van de genoemde planten gelijkt op die van de Huiszwam. •longe exemplaren krijgen dicht opeengedrongen loten; deze breiden zich echter naar alle zijden uit en sterven gelijktijdig van achteren af. Daardoor ontstaat op de plek der eerste vestiging een dorre plaats van afgestorven resten, die niet gemakkelijk andere planten toelaten, en deze vlek wordt door een krans afzonderlijke, levenskrachtige spruiten omsloten. Zijn deze spruiten zeer talrijk, sluiten ze ook na hun afscheiding nog dicht aaneen en nemen ze jaarlijks slechts weinig toe in omvang, dan duurt liet zeer lang, voor eer duidelijke ring is ontstaan; maar die is dan later ook des te schooner en valt zoo sterk

Sluiten