Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De in bundels, zoden en kussens geplaatste, langs vegetatieven weg ontstane planten komen bijna in alle afdeelingen van het plantenrijk voor. Zeer opmerkelijk zijn de kussens der in Deel I herhaaldelijk behandelde en op de gekleurde plaat tegenover blz. 29 aldaar afgebeelde Vaucheria clavata, en wel omdat hier de nieuwe vormen ontstaan uit uitstulpingen eener buisvormige cel, die, als zij langer worden en van achteren afsterven, onder hun voortgroeienden top weer zelf nieuwe uitstulpingen vormen. De jongste blijven met de oude afgestorven deelen vast verbonden, en de geheele zode bestaat dan van boven uit de zeer talrijke groene toppen, die als nieuwe planten moeten worden beschouwd, terwijl daaronder een wirwar van bleeke draden te vinden is, dat de afgestorven onderlaag vormt voor de voortgroeiende jonge planten.

Iets dergelijks neemt men waar bij de soorten uit de geslachten Euactix, Dusyactis en Mastichonenui, eigenaardige, tot de Oyanophyceeën behoorende waterplanten, die in kleine donkere kussens hun standplaats hebben op steenen in de bedding der beken en op de door het schuim van watervallen aanhoudend vochtig gehouden rotsen. Hier zijn het wel-is-waar geen uitstulpingen van een cel, die tot zelfstandige planten worden, maar zweepvormige, in bundels gegroepeerde cellenreeksen, die in verdiepingen boven elkaar zijn gelegen. Alleen de bovenste bundels leven, de lager liggende, die de jongste hebben voortgebracht, zijn dood. Men kan ze echter nog na jaren duidelijk herkennen, vooral zoo ze met kalk geïncrusteerd zijn geworden.

Bij verschillende soorten, zooals bijvoorbeeld bij Euactis Heerianci, ziet men soms 10 tot 20 afgestorven lagen van jaarloten boven elkander tot compacte massa's verbonden, en daarboven oen ontzettend aantal afzonderlijke en van elkander onafhankelijke bundels van cellenreeksen. Onder de Korstmossen, met name onder de Clai/onia's, zijn er eveneens vele, die van het eene jaar tot het andere echte verdiepingen boven elkander vormen, zich tegelijk naar boven vorksgewijze of in kransen verdeelen en uiteenspreiden, en dien ten gevolge een zoden- of kussenvormig aanzien krijgen. De onderste deelen blijven nog langen tijd bewaard, ook wanneer ze reeds lang gestorven zijn, en worden tot doode steunsels voor de levende, van elkander onafhankelijk geworden bovenste deelen, die als nieuwe, langs vegetatieven weg uit de oude ontstane planten zijn te beschouwen.

Iets dergelijks neemt men ook bij veel echte Mossen waar. Vooral de Blad mossen bieden de grootste verscheidenheid aan bij de vorming van in zoden of kussens gerangschikte nieuwe planten, en men treft bij deze plantengroep alle graden aan, van do uitgestrekte, aan de randen van bronnen en beken zich uitstrekkende zoden der Hypnaceeën, tot de kleine, bolvormige kussens van Grimmia en Andreaea, die de steile rotswanden in 't gebied der gletschers van het hooggebergte bedekken, alsook van de zachte, losse, zwellende zoden in de schaduwrijke diepte der dennebosschen tot de vaste, dicht aaneengesloten kussens, die tusschen de grassen en kruiden der Alpenweiden zijn ingevoegd. Losse moskussens ontstaan, als er slechts weinige, maar

Sluiten