Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betrekkelijk wijd zich uitspreidende, op de pluimen van een kleine \ aren gelijkende jaarloten worden gevormd. Bij het meest algemeene onzer Bladmossen, het sierlijke Hylocomium splemlms, afgebeeld in Deel III op blz. 15 in Fig. 11. vormt de hoofdas van de jaarloot, als 't ware de «pil van de Varenveér, een naar boven convexen boog, en ongeveer in het midden van dien boog ontstaan in 't volgend jaar een paar nieuwe spruiten, die zich eveneens gedragen, d. i. weer zich boogvormig ter zijde buigen. Zoo bouwt dit mos zich in den loop der tijden op uit louter op elkaar geplaatste bogen, wat ten gevolge heeft, dat de zoden los en week zijn als een kussen, dat met gebogen donsveeren is gevuld.

Gedrongen zoden vormen die Mossen, die de eigenaardigheid hebben, dat uit elk der rechtop staande jaarloten dichtbij den top verscheiden in een krans geplaatste knopjes ontstaan. Alleen deze knopjes groeien in het volgend jaar verder en worden tot evenveel nieuwe jaarloten: de oude loot daaientegen, uit welker top ze zijn voortgekomen, blijft in groei achter en sterft af. Zoo vormt elk spruitje een geheel bundeltje nieuwe loten, die het boven het hoofd groeien. Doordien zich die groeiwijze van jaar tot jaar herhaalt, is een snelle vermenigvuldiging en opeenhooping der nieuwe loten het gevolg. In enkele jaren ziet men honderden, ja duizenden van die recht opgerichte loten dicht naast elkander een gedrongen massa vormen, die er als een zode uitziet. In de hooggebergten der Centraalalpen groeit een mos, Dicranum elongutum, welks zode een zoo dicht gedrongen massa vormt, dat men moeite heeft, haar te splijten of van een te rukken. In gunstige omstandigheden, vooral tegen den kant van bergruggen, die door Föhnwinden worden bestreken, bereiken deze zoden 1 M. in het vierkant, en daar op één vierkanten centimeter gemiddeld :S24 stengeltjes komen te staan, omvatten zulke zoden niet minder dan 3.240.000 daarvan.

Gewoonlijk sterven bij de Mosplanten de jaarloten dadelijk af, nadat de door hen aangelegde nieuwe loten hun volle grootte hebben bereikt, maar zij blijven ook na hun dood nog lang met stengeltjes en blaadjes in stand, en gaan veel langzamer dan de doode deelen van grassen, overblijvende kruiden en heesters tot verrotting over. Drie tot vijl jaren aaneen zien zij ei uit als mummiën, verbleekt of gebruind, en zijn vaak door de rhizinen met elkaar verbonden als door een viltlaag, die hen samenhoudt. Eindelijk echter maakt ook van hen het verval zich meester, ze gaan tot verrotting over en na zes tot tien jaren is alles tot een donker gekleurd molm geworden.

Vandaar de regelmatige ligging in lagen, die men waarneemt, als men een moszode overlangs doorsnijdt; eerst beneden zwart molm, daarboven een bruine zone van uiteenvallend weefsel, dan een zone van bleekgele of grijze doode stengeltjes en blaadjes, en bovenop de levende, groene, nieuwste jaarloten. Op bepaalde standplaatsen kunnen zich, onder den invloed van rottingwerende humuszuren in de venen en ten gevolge der incrusteering met koolzure kalk, de afgestorven deelen der Mossen ook wel eens zeer vele jaren in stand houden, en dan laten zich de in vorm nog onveranderd gebleven deelen tot op aanzienlijke diepte herkennen.

Sluiten