is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

planten verwijderen zich in dit geval maar langzaam van hun uitgangspunt, voetje voor voetje als het ware, en er verloopen vele jaren tot op die wijze een eindweegs van 100 M. is afgelegd. Veel sneller geschiedt de plaatsverandering, als de zelfstandig wordende deelen van hun plek van oorsprong losgeraakt, door bijzondere slingerinrichtingen of als een speelbal van wind- en waterstroomingen of eindelijk dooide hulp van dieren en menschen naar een nieuwe plaats van vestiging worden overgebracht.

Op die wijze kan het gebeuren, dat losgeraakte, afzonderlijke cellen, celgroepen, knoppen en loten binnen weinige minuten veel meer dan 100 M. door langgerekte dalen, over steile rotswanden, ja zelfs over hooge bergruggen worden vervoerd. Nu biedt die snelle verspreiding niet zulk een vast en betrouwbaar resultaat als het veilige, langzame voortschuiven. Het kan licht gebeuren, dat de wind of een watergolf de aangevatte knop, of knol, of de „aflegger" in het algemeen, die een nieuw plantje zou kunnen voortbrengen, naar een plek voert, waar hij zich niet kan ontwikkelen, en reddeloos verloren is. Maar klaarblijkelijk wordt dit nadeel opgewogen door den verbazingwekkenden overvloed van zulke losse „afleggers". Ook zijn er verscheiden planten, die op tweeërlei wijze afleggers doen ontstaan, op de langzame, maar zekere manier en op de snelle, doch niet zoo zekere; op de eerste wijze slechts weinige, op de tweede een overvloed. «

Slechts een zeer klein gedeelte van de tegenwoordig de wereld bevolkende planten vormt afleggers, die, nadat ze losgeraakt zijn van de moederplant, uit eigen kracht en door middel van bijzondere bewegingsorganen een nieuwe woonpjlaats opzoeken. Dit zijn alleen eenige in liet water levende vormen, die uiterst klein zijn en welker ontwikkeling men alleen met het microscoop kan nagaan. Als de meest bekende voorbeelden moeten hier de chlorophyllooze Saprolegniaceeën en Chytridiaceeën, de donkergroene Vaucheriaceeën en de roode Sphaerella-soorten worden genoemd.

De eerste van deze, de Saprolegniaceën, zijn grootendeels rottingsplanten, woekeren op en in de lijken der in het water gestorven dieren en wel niet alleen van visschen, kreeften en insectenlarven, maar ook van vogels, die door het een of ander ongeval in het water den dood hebben gevonden of, na hun dood op het land, in het water terechtkomen. Deze Saprolegniaceeën vormen buisvormige, aan het bloote oog als tijne draden zich voordoende hyphen, die veel uitstulpingen vertoonen en waarvan een gedeelte als een vlechtwerk van worteltjes het lijk doordringt, terwijl het andere deel in de gedaante van witachtige of grijze vlokken boven het lijk verschijnt en in het water drijft. Enkele der buisvormige, recht overeindstaande hyphen nemen een kolfvormige of knotsvormige gedaante aan, en het protoplasma erin splitst zich in talrijke stukjes, die, voor zoo ver men door den celwand heen kan zien, hoekige vormen aannemen. Spoedig daarna opent zich de kolfvormige buis aan den top, en de afzonderlijke deelen komen uit de opening als ronde protoplasmalichaampjes