Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet meer tot in de bovenste waterlagen omhoog; zij blijven op cle plaats, waar ze zijn neergevallen, in het slijk liggen, krijgen er wortels en ontwikkelen uit de kleine knoppen, die reeds in den herfst in de oksels van de hoornachtige bladeren der spruit werden aangelegd, bebladerde, druk vertakte stengels, die snel naar boven groeien, naar de oppervlakte van het water. Deze op den bodem van de watermassa gewortelde Fonteinkruiden vermenigvuldigen zich niet alleen door de genoemde, in het water zinkende deelen, maar ook nog dooi uitloopers, die her- en derwaarts door het slijk kruipen. Door de eerst bedoelde, in den herfst aan de bovenste stengelleden ontstaande, dan losrakende en in het water drijvende spruiten of knoppen wordt echter de verspreiding over veel grootere afstanden uitgestrekt dan mogelijk zou wezen door de in het slijk voortkruipende uitloopers.

Een zeer merkwaardige verspreiding wordt waargenomen bij de ten Zuiden van den Steenbokskeerkring aan de kust van Australië veel voorkomende soort van Zeegras, Cymodocea antarctica. Deze plant heeft een rechtopstaanden stengel, die dicht bezet is met op twee rijen gezeten bladeren van dofgroene kleur. De onderste bladeren vallen reeds vroegtijdig af en de kaalgeworden. met litteekens bedekte stengel draagt dan alleen aan zijn top een bundel lintvormige bladeren. Tegen het eind van den winter ziet men boven deze lintvormige bladeren den top van den stengel op eigenaardige wijze gevormd. De stengelleden zijn er zeer verkort, en aan het benedenste lid vertoont zich eene in vier lobben gesplitst blad, dat als een beker de bladeren, welke van de verder naar boven volgende leden uitgaan, omvat. Uit de oksels van een of twee dezer bladeren ontstaan knoppen, terwijl de bladeren zelf sterven en verrotten. Ook het parenchym van het bekervormige, in vier lobben gespleten blad verrot, en alleen de stijve nerven blijven ervan achter, zoodat nu op de plaats van den beker kamvormige schubben zich vertoonen. Nadat die verandering heeft plaats gehad, splijt het weefsel van den stengel onder de kamvormige schubben, en de geheele stengeltop wordt door de bewegingen van liet water van het al lang ontbladerde, lagere deel van den stengel afgescheiden en voortgedreven.

Het hangt van de plaatselijke toestanden aan het strand af, tot hoe ver dat wegdrijven zal voortduren. Vroeger of later komt de losgeraakte, drijvende, nu tot een zwervenden aflegger geworden spruit weer tot rust, waarbij de achternaslepende, kamvormige vier schubben de rol van een anker vervullen. Heeft het anker zich vastgezet, dan ontwikkelen zich uit de onderste stengelleden van de spruit 2 tot 4 wortels, die tusschen de tanden van het kamvormig anker doordringend, in den slijkbodem vastgroeien en daar de nieuwe plant onwrikbaar vasthechten. Dat alles gebeurt aan het eind van den winter. In den loop van den volgenden zomer groeit de ongeveer 8 centimeter lange, in het slijk geankerde en gewortelde loot weer uit tot een stengel van één meter hoogte, en in den volgenden winter laat die zijn top weer op de aangegeven wijze los. Bij een vroegere gelegenheid, namelijk op blz. 53(» van Deel III werd al gezegd, dat deze zonderlinge zeeplant slechts hoogst zelden bloeit en vruchten voortbrengt.

Sluiten