Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houdt zich het water aan den oever, vooral in de kleine bochten ervan, bijna zoo stil en rustig als in een rondom afgesloten plas. Op zulke kalme plekken komen, ook soms door watervogels meegevoerd, losdrijvende waterplanten terecht, welker wortels niet zich vasthechten op den bodem, maar die in het water zweven, of in 't geheel geen wortels bezitten, als bijvoorbeeld de Levermossen, Biccia fluitans en nntans; het Eendenkroos, Lemna en de veel daarop gelijkende Wolffia; in tropische streken ook Azolla en 1'istia.

Al deze planten vermenigvuldigen zich buitengewoon snel. Terwijl ze, aan den eenen kant verder groeiend, zich splitsen en wijduitstaande lobjes en spruitjes vormen, sterven ze aan den anderen kant af, wat natuurlijk eene verdeeling in vele stukken, die zelfstandig kunnen voortleven ten gevolge heeft. Deze deelen rangschikken zich in een mozaïek, dat als een groen tapijt over het watervlak is uitgespreid. Neemt het aantal afzonderlijke, zelfstandig voortlevende deelen en dus ook de omvang van liet tapijt toe, dan worden losse stukken der groep uit de kalme oeverbocht vooruitgeschoven naar het stroomende water van het middengedeelte der beek; daar worden ze door de strooming aangegrepen en meegevoerd en dikwijls eerst op grooten afstand weer op oen rustige plek van den oever achtergelaten, waar zij dan het uitgangspunt van eene nieuwe kolonie van jonge planten kunnen vormen.

Ook het regenwater speelt bij de verspreiding der voor vegetatieve vermenigvuldiging bestemde plantendeelen een belangrijke rol. In dit opzicht zijn vooral vermeldenswaard de afleggers van het algemeen verspreide, op vochtigen grond ongemeen veelvuldig voorkomend Lever mos, Marchantia polymorpha, welks ontwikkeling op de afbeeldingen van blz. 21 in Deel III is voorgesteld. Op het donkergroene, bladachtige thallus van dit Levermos verheffen zich ringwalletjes, die langzamerhand tot duidelijke bekertjes uitgroeien, Fig. 1. In den bodem van ieder bekertje ziet men papillenvormige cellen, waarvan ieder zich door een tusschenschot in twee helften, een boven- en een onderhelft splitst. Uit de bovenhelft ontstaat door verdere deeling een groene celplaat, zooals Fig. 3 aldaar voorstelt, uit de onderhelft een korte drager. Maar slechts een deel der papillen op den bodem van den beker vertoont die ontwikkeling; bij een ander gedeelte wordt de bovenhelft slechts weinig vergroot en neemt den vorm van een knopje aan. De buitenste wandlagen van die knopvormige cellen zwellen nu op, vormen een geleiachtige massa, en terwijl deze in omvang toeneemt, tilt zij de groene celplaten van den bodem van den beker altijd hooger en hooger op, zooals Fig. 2 laat zien. Eindelijk zijn die platen dichtbij den bekerrand aangekomen en worden van daar door het neerdruppelende en overloopende regenwater snel weggespoeld.

Ook de afleggers van andere levermossen, met name de bolvormige celkluwens, die in de halvemaanvormige zakjes van Lunularia en in de fleschvormige uitstulpingen van Blasia pusilla ontstaan ; de cellenparen, die op de bovenvlakte van Aneura multifida naar buiten komen; de afzonderlijke cellen, die van den rand der blaadjes van zooveel Levermossen los laten; de meercellige deelen, die van de op boomschors zoo veelvuldig voorkomende liadula complanata

Sluiten