Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door die zachte evenwichtsstroomingen. die uit de geringe temperatuursverschillen voortdurend voortvloeien, nu eens omhoog, dan omlaag gevoerd, hier in horizontale, daar in verticale richting of in kringen voortgedreven, tot zij eindelijk tegen een of ander vast punt stranden en er tot uitgangspunt voor een nieuwe schimmelvorming worden.

De door de Hymenomyceten of Vlieszwammen op den top van de zoogenaamde sterigmata of dunne steeltjes afgescheiden sporen, op de afbeelding van Deel III op blz. 20 in F'uj. 7 te zien, kunnen eveneens door den stoot van den wind losgeraakt cn meegevoerd worden, maar de ervaring leert, dat bij deze Zwammen de meeste sporen in stille lucht van zelf loslaten, op den grond vallen, dien als een tijne stoflaag bedekken cn eerst van daar door de bewogen lucht worden meegevoerd.

De sporen van de Brandzwamme n, Utfilaginaceae, alsook die uit de

aecidiën van de Uredinaceae, Koestzwammen, zijn eerst bedekt met fijne vliezen en liggen vaak in bijzondere bekertjes neergelegd. Zoodra ze hun volle rijpheid hebben gekregen, vormen ze een poederachtige massa, de omhullende huid barst open en de nu bloot liggende sporen worden als stof door den wind voortgeblazen. Hadden ze zich in uitgeholde bekertjes ontwikkeld, dan wordt eerst deze sporehouder geschud, zoodat de stoffijne sporen in de lucht geraken en dan door den wind kunnen worden meegevoerd.

Bij de meeste S 1 ij m z w aminen, Mlixomijceti's, en B u i k z w a m 111 en, <>«xteromijcrtes, afgebeeld in Deel 1, op blz. 129 en 130, worden gelijktijdig met de sporen tijne draden gevormd, capillitium geheeten, waarvan nevenstaande afbeelding eene voorstelling geelt. Zulk een

wirwar van draden met de daartusschen gelegen sporen is door een vlies omsloten. Als dat dan tegen den tijd van rijpheid openspringt en er zoo een opening komt in den sporehouder, kunnen toch eerst alleen die sporen door den wind worden weggeblazen, die in de onmiddellijke nabijheid van de opening zich bevinden; de lager gelegene worden door het capillitium tegengehouden. Nu komen echter, als er droge winden waaien ook diepere lagen van het capillitium boven, en daardoor worden steeds weer nieuwe menigten van sporen uit de diepte bij de opening gebracht. Zoo komt het, dat de sporen dezer planten slechts bij afgemeten tusschenpoozen en op den geschiktsten tijd, namelijk alleen dan, als er droge winden waaien, worden verspreid.

Een dergelijke inrichting vertoonen de tot de Mossen behoorende Mar-

A. Kkrskr von Mariladn, Het leven der planten. IV. I'1

Trichia clavata. 1. De wand van liet aethnlium is gebar-ston, liet capillitium is naar buiten getreden, heft de tusschen de fijne draden liggende sporen omhoog en geeft deze aan den wind prijs. 2. Afzonderlijks draden van het capillitium met enkele sporen er tusschen. — Fig. 1 20-maal, Fig. 2 250-maal vergroot.

Sluiten