Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vier lengtespleten open, maar die spleten reiken niet tot den top van het kapsel, en de vier stukken, waarin de wand ervan gespleten is en die men met de duigen van een vat zou kunnen vergelijken, blijven aan den top vergroeid. Hij vochtig weder sluiten die deelen van den wand dicht aaneen en dan zijn de spleten gesloten, zooals de afbeelding Hg. 1 laat zien. Bij droog weêr gaan daarentegen de deelen van den wand bol staan, de spleten openen zich en de sporen kunnen, als ze rijp zijn, door de droge winden uit het inwendige van het kapsel worden weggeslagen; zie Fig. 2.

Geheel anders heeft het uitstrooien der sporen plaats bij Polgtrichum. Van dit geslacht is ééne soort op de afbeelding hiernaast in Fig. 3 tot 8 voorgesteld. Nadat het deksel, dat vroeger het kapsel bedekt had, is afgevallen, krijgt men een fijn, witachtig vliesje te zien, dat door de punten van talrijke, scherpe tandjes wordt vastgehouden en als een trommelvel over de door een ring omsloten monding van het bekervormig kapsel is uitgespannen. Als regen en dauw de mossen vochtig maken, ziet men de tanden sterk naar binnen gekromd; het vliesje ligt dan over den ring en vormtéén volkomen afsluiting voor het kapsel, zooals nevenstaande afbeelding in Fig. 5 on 7 laat zien. Bij droge lucht daarentegen, vooral als er een droge wind waait, richten de tanden zich een weinig op, tillen het vliesje op van den omlijstenden ring, en daardoor ontstaan tusschen de tanden kleine openingen, waardoor de sporen kunnen worden vrijgelaten, Fig. <i en 8. Dezelfde droge wind, die de verandering in den stand der tanden teweegbracht, schudt nu uit den op een elastisch steeltje gedragen sporenhouder, die thans een aantal kleine openingen heeft, de sporen als uit een peperbus.

Als voorbeeld voor een derde inrichting, die bewerkt, dat de rijpe sporen alleen bij droog weêr aan den wind worden prijsgegeven, bij vochtig weêr echter in de kapsels achterblijven en tegen de nadeelige invloeden van vocht worden beschut, moge hier de tot de Br y ace een behoorende (frimmia oeatu worden gekozen, op nevenstaande afbeelding in Fig. 9 on 10 afgebeeld. De cirkelronde opening van het urnvormige kapsel is hier met tanden bezet, waarvan elk in een punt uitloopt. Het weefsel van die tanden is zeer hygroscopisch en hun richting en stand veranderen, al naar gelang van den vochtigheidstoestand der lucht, op zeer in 't oog vallende wijze. Bij vochtig weêr zijn de tanden zoo dicht tegen elkander geplaatst, dat zij een volkomen afsluiting van de doosvrucht vormen, zooals de afbeelding in Fig. 9 laat zien; bij droog weêr daarentegen richten zij zich op, zooals de afbeelding in Fig. 10 aantoont, en de rijpe sporen worden bij den stoot van de uitdrogende winden uit de wijde opening van het kapsel uitgeschud en weggeblazen.

Later zullen wij aantoonen, dat de sporangiën der meeste \ arens plotseling openspringen, en dat bij deze gelegenheid de sporen worden weggeslingerd. De sporangiën van zulke Varens ontwikkelen zich aan den onderkant der bladeren of veêren, en deze ligging beschut ze voortreffelijk tegen de nadeelen, die door een bevochtiging met regen en dauw zouden kunnen worden teweeggebracht. Men kent echter ook Varens, welker sporangiën wel aan regen en dauw zijn

Sluiten