Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blootgesteld en welker sporen bij het openspringen der sporangiën niet plotseling weggeslingerd worden. Tot deze merkwaardige Varens behoort onder andere ook het geslacht Botnjchium [waarvan ten onzent de soort Botrychium lunarin, het Maankruid, in 't wild voorkomt], welker trosvormig gegroepeerde sporangiën op blz. 194 in Fig. 11 en 12 zijn afgebeeld. De ellipsoïdevormige sporangiën van Botrychium gaan open door een overdwars loopende scheur; maar de beide door de scheur ontstaande kleppen wijken alleen bij droog weer uiteen, zooals de afbeelding in Fig. 12 en 14 laat zien, in welk geval de sporen door den wind uitgeschud en weggeblazen kunnen worden. Zoodra de sporangiën bevochtigd worden, sluiten de beide kleppen dadelijk weer aaneen, «zie Fig. 11 en lu), en van een uitschudden der sporen kan dan natuurlijk niet meer sprake zijn.

Een dergelijk met bevochtiging en uitdroging in verhand staand sluiten en openen der sporangiën, dat zich natuurlijk in de open lucht in den loop van een dag meermalen kan herhalen, wordt ook waargenomen bij de Lycopodi aceeën.

Sporen van oen soort van Paardestaart, Equisetutn Tehnateja, 1. In drogen, 2 in

voclitifren toestand. 25-niaal vergroot.

Ook bij de Eq ui set aceeën of Paardestaarten, vroeger ook wel Hormoeskruiden genoemd, afgebeeld op blz. IS van Deel 111 in Fig. 4, komt dit verschijnsel voor, maar hier vertoonen niet alleen de sporangiën, doch ook de sporen zelf in drogen en in vochtigen toestand een zeer verschillend aanzien. De celwand van deze sporen bestaat uit twee lagen, waarvan de buitenste loslaat in den vorm van twee spiraalvormig gedraaide linten of draden, terwijl de binnenste laag gesloten en bolvormig blijft. In droge lucht wikkelen de beide kruiswijs geplaatste in een spiraal gewonden draden, springdraden of elateren geheeten, zich los. zooals bovenstaande afbeelding in Fig. 1 laat zien, en vormen vier vleugels, die den wind een voldoend groot aaugrijpingsvlak bieden, om de betrekkelijk groote en zware spore te kunnen wegvoeren. Valt de spore op den grond op een plek, die wegens droogte voor hare vestiging niet geschikt is, dan blijven de vleugels wijd uitgeslagen. De eerste de beste windstoot tilt ze dan weer op en draagt ze naar een andere plaats. Is daarentegen de plaats van afzetting vochtig en zijn daar de voorwaarden voor den

Sluiten