Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijne steeltjes zijn verwelkt, en de kleine, veelcellige schijfjes hebben losgelaten, is een kleine schudding door den wind voldoende, om de thallidiën te doen uitvliegen. Dezelfde luchtstroom, die de stengeltjes schudde, doet nu ook de miniem kleine, groene schijfjes ver door het bosch voortdwarrelen en brengt ze op ander vermolmd hout, waar ze zich vasthechten en zich verder ontwikkelen.

Bij sommige Bladmossen, welker blaadjes in drogen staat buitengewoon bros zijn, bijvoorbeeld bij Campylopus, afgebeeld in 1)eei, III, op blz. 21 in Fig. 11, worden de blaadjes zelf tot „afleggers". Door welke aanleiding die blaadjes losraken, is nog eenigszins raadselachtig; waarschijnlijk raken ze van zelf los en worden ze daarna afgeworpen, op de wijze ongeveer, als waarop de bladeren in den herfst van de takken der boomen vallen. Voor de vraag, die ons hier bezighoudt, is dat overigens onverschillig; zooveel is zeker, dat men in de afgelegenste bergkloven en op de uitstekende richels van de steilste rotsen, waar iedere aanraking met voorbijgaande dieren volkomen is uitgesloten, aan de zodevormig gegroepeerde stengeltjes van Campylopus steeds losgeraakte blaadjes vindt en ook gescheurde blaadjes er los ziet bij hangen. Als dan na verscheiden droge dagen een storm door de kloven giert, worden die losse blaadjes mee voortgesleurd, en eerst op grooten afstand van de plaats, waar ze werden weggerukt, komen ze weer tot rust.

De door de Bladmossen gevormde afleggers, bestaande uit op rijen of in kluwens of als schijfjes gerangschikte cellen, en ook de laatstgenoemde, losgeraakte en in afleggers veranderde blaadjes groeien niet terstond tot een nieuw mosplantje uit, maar ontwikkelen eerst cellenreeksen met een draadvormig aanzien en daaruit komen dan de jonge mosplantjes voort.

Het gebeurt ook wel, dat geheel e mosplantjes, met as en blaadjes en tijne draad worteltjes of rhizinen door luchtstroomingen worden verspreid. Dit is zelfs in 't geheel niet zeldzaam en werd bij Bladmossen uit de meest verschillende geslachten waargenomen, bijvoorbeeld bij Leucodon xciuroides, Thuidium abietinum, Hypnum rugosum, Myurella julaceu, Conomitrium Julianum en Anoectangium Sendtnerianum. De ontwikkeling van deze soort van afleggers is op de afbeelding van Deel III bladzij 21 in Fig. 9 en 10 bij het op de schors van oude boomen veelvuldig voorkomende mos Leucodon sciuroides aangetoond. In de hoeken, die de blaadjes met de as van oude boomen vormen, ontstaan eerst knopjes, dan zeer kleine loten, die in vorm nauwkeurig verkleinde herhalingen zijn van het plantje, waaruit ze voortkomen. Nu raken die kleine spruiten aan hun voet los en verschuiven naar den top van de hen dragende blaadjes. Dat gebeurt vooral, als het regent. Bij droog weêr liggen de blaadjes tegen do as aan, als ze nat worden, rollen ze om, buigen naar achteren en komen aldus uit de nis, waarin ze tot nu toe geborgen waren, te voorschijn. Vele van deze losgeraakte, kleine lootjes worden ongetwijfeld met het regenwater weggespoeld en zoo op korten afstand verspreid, maar de meeste voert de wind mee, om ze ver over bergen en dalen te vervoeren.

Knoppen, die van boven den grond zijnde plantendeelen losraken en

Sluiten