Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afgestreken en kunnen er binnen korten tijd opnieuw tot een liet vruchtbeginsel doorwoekerend mycelium uitgroeien.

Iets dergelijks neemt men ook waar bij de tot de Buikzwammen behoorende Phalloïdeeën of Stinkzwammen, waarvan de bekendste soort, namelijk I'hallus impudicus, hier als voorbeeld kan worden genomen. De door een witten, cylindervormigen, sponzigen steel gedragen hoed is betrekkelijk klein, heeft een klokvorm en is bedekt met een groenachtig zwarte, kleverige vloeistof, waarin talrijke sporen liggen. Deze vloeistof ontwikkelt een duidelijken en tot op verren afstand waar te nemen aasstank, die talrijke insecten, vooral aasvliegen, aanlokt. De aanlokking heeft te eerder plaats, daar de vloeistof suikerhoudend is, en de insecten zich met die suiker voeden. Een vlieg, die zich op den hoed van den „Stinkenden Phallus" neerzet, kan dien niet verlaten, zonder over liet geheele lichaam met sporen bekleefd te zijn. Een deel van deze sporen zal misschien al van hen afvallen, terwijl ze van de zwam wegvliegen; het grootste deel echter wordt eerst afgestreken, waar de insecten weer gaan zitten en zich van liet onaangename aanhangsel reinigen.

Dat de vleezige Hymenomyceten of VI ieszwammen tot voedsel dienen van vele insectenlarven, is algemeen bekend. Vaak vindt men al in den tijd al.s de paddestoelen boven den grond komen, het vleesch van steel en hoed doortrokken met holten, waarin de larven van verscheiden muggen en kevers leven. Vóór nog de verrotting en het verval van die zwammen is ingetreden, verlaten de larven de plaatsen, waar ze zich tot dien tijd ophielden, om zich in den grond te verpoppen, en bij deze gelegenheid worden talrijke sporen, welke aan de dieren waren vastgehecht, verspreid.

Zonder twijfel heeft de verspreiding der sporen van verschillende Paddestoelen, met name van Vlieszwammen of Hymenomyceten en van Tubereeën of Truffels ook plaats, doordat de vleezige, sporedragende deelen door dieren worden gegeten, dan onveranderd het darmkanaal der laatste passeeren en in de uitwerpselen gaan kiemen. Vooral regenwormen en varkens schijnen bij deze wijze van verspreiding een rol te spelen. Ook slakken zijn als verspreiders van sporen zeer belangrijk. De sporen van Morchella esculenta, Morieljes, en van andere dergelijke zwammen ziet men vaak ontkiemen op de uitwerpselen van naakte slakken, die van deze zwammen eten. Hetzelfde geldt van de sporen van andere zwammen en ook van die der tot de Algen behoorende soorten van het geslacht Chroolepus.

De verspreiding van losgeraakte, tot zelfstandig leven geschikte knoppen en spruiten door tusschenkomst van dieren komt betrekkelijk zelden voor. Van de bekend geworden gevallen moeten vooral de volgende worden vermeld. Ten eerste die, waarbij deze soort van afleggers door de dieren als voedsel tot zich genomen worden, maar onverteerd weer liet lichaam verlaten, om op de plaats van afzetting tot nieuwe planten op te groeien. Met zekerheid werd dit geval bij de op blz. 202 afgebeelde, in het hooge Noorden en in de Middel-Europeesche hooggebergten veelvuldig voorkomende Polygomim viviparum opgemerkt.

Sluiten