Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijvoorbeeld een stokje, op de stijve punten van den vruchtkelk van boven af drukt, zooals in Fig. 5 te zien wordt gegeven, wordt de steel van den kelk als een veer gespannen; zoodra dan de drukking ophoudt, springt de steel in zijn vorigen stand terug en de binnen in den kelk geborgen nootjes worden met groote kracht uitgeworpen, zooals F'kj. (> aantoont.

I)e leiding bij dit wegslingeren is toevertrouwd aan de beide als sledeijzers omhoog gekromde benedenste kelktanden (zie Fig. 2). In vele gevallen, bijvoorbeeld bij Teucrium fiacum en Teucrium euganaeum en bij Monarda fistulona, afgebeeld in Fig. 3 tot 9, is buitendien een tweede aanwijzing van den te volgen weg gegeven door stijve, veerkrachtige, in de kelkbuis ingeplante en met liun punten naar elkander toegebogen baren, en men zou de beteekenis, die deze haren met het oog op de uitgeworpen nootjes hebben, met die van de groeven in getrokken geweerloopen kunnen vergelijken. Bij Scutellaria weer vormen de slipjes van den aan een gesloten vizier herinnerenden kelkzoom een dergelijke leiding voor de uitgeslingerde zaden.

Wat nu kunstmatig door buigen en laten opspringen van de stelen, die den vruchtkelk dragen, wordt bereikt, heeft in de vrije natuur plaats door heftige schudding door den wind, door het stooten van vallende regendroppels en vooral ook door het strijken van voorbijgaande dieren langs de stijve vruchtkelken. In het laatste geval kan ook wel het een of ander weggeslingerd nootje aan den pels der voorbijgaande dieren blijven hangen en dan tot veel grooter afstand worden verspreid.

Behalve bij de Lipbloemigen komt deze werpinrichting niet veel voor. Het best laat zich ermee vergelijken het uitwerpen der zaden uit de S-vormig gebogen, op stijve stelen gedragen en met de opening schuin naar boven gerichte vruchten van verschillende soorten van het geslacht Hoornbloem, bijvoorbeeld Ceradium initcrocarpum, afgebeeld op blz. 523 van Deel III in Hg. 4.

Een der zonderlingste ballistische inrichtingen wordt aangetroffen bij de Noord-amerikaansche 1'olygomun cirginicum, afgebeeld op de afbeelding van blz. 237 in Fig. 10 en 11. De vruchten zitten bij deze plant op korte stelen en zijn aan lange, roedevormige stengels in aren gerangschikt. De korte vruchtstelen onderscheiden zich. doordat de cellen van het sterk ontwikkeld schorsparenchym zwak verdikte, maar zeer houtige wanden hebben. Ook is het opmerkelijk, dat op de grens van steel en vrucht een scheidingslaag ontstaat, die zich voor het bloote oog als een gewricht voordoet. De stijl heeft den vorm gekregen van een naar beneden gerichten, in twee afstaande haakjes eindigenden, op de vrucht gezeten snavel. Als een voorbijgaand dier met deze vruchten in aanraking komt en er een drukking op uitoefent, ziet men, dat dadelijk de vooraf gevormde scheidingslaag loslaat en dat de aangeraakte vruchten in een wijden boog wegspringen. De op de vrucht uitgeoefende drukking wordt blijkbaar op den korten steel overgedragen, en het weefsel van dien steel wordt in een spanning gebracht, die met de spanning in een horlogeveer is te vergelijken. Zoodra de drukking ophoudt, ontspant zich het weefsel van den vruchtsteel en de vrucht wordt met groote kracht afgeworpen.

Sluiten