Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Langen tijd bleef het raadselachtig, hoe deze vruchten worden afgeworpen, als er geen dieren in 't voorbijgaan langs strijken. Voor eenige jaren had ik eindelijk gelegenheid, te zien, hoe bij hevigen wind de lange, met vruchten bezette takken heen en weer werden geslingerd, en hoe ze bij die gelegenheu tegen elkaar en tegen de takken van naburige struiken strijken, waardoor het afwerpen der vruchten juist zóó plaats heeft, alsof voorbijgaande dieren ei langs hadden gestreken. De verspreiding door dieren biedt echter dit voordeel, dat de afgeworpen vruchtjes licht met den stijf geworden, op een klauwtje gelijkenden stijl aan den pels der dieren kunnen blijven hangen, waardoor een verspreiding tot veel grooter afstanden mogelijk wordt. Als er geen dieren bi| in het spel komen en de afgeworpen vruchten op den grond vallen, bedraagt de worpwijdte slechts 2 tot 3 meter, een betrekkelijk zeer geringe afstand van de plaats, waar de vruchten tot rijpheid zijn gekomen.

Nog beperkter clan de verspreiding der uitgeslingerde en uitgeworpen vruchten is die der kruipende en huppelende of springende vruchten Met dezen naam worden vruchten aangeduid, welker omhulsels bedekt zijn me

Kruipende huppelende vruchten. 1. Aegilops ventricosa. 2. Aegilops ovata. 3. Crup.ua

vul ff art'8. 4. Trifolium stellatum.

eenzijdig stijve en daarbij zeer hygroscopische haren, die bij een wisseling in den vochtigheidstoestand der omgeving telkens van stand veranderen, en daarbij dan de omhulde vrucht of het omgehulde zaad in een bepaalde richting voortschuiven. Hij de üramineeën, bijvoorbeeld bij Klgmus crinitus, Secale fragilr en verschillende soorten van Gei ten oog, Aegilops, waarvan boven in Fig. 1 en 2 twee worden afgebeeld, zijn het de kafnaalden, bij de Restiaceeën, bij voorbeeld de Zuidafrikaansche Bypodiscus aristatus, de in stevige naalden uitloopende omwindselschubben; bij de Seabiosa's en veel Samen gestel dbl oem igen , als Crupina rulgaris, afgebeeld op bovenstaande afbeelding in Fig. 3, de kelkborstels en de stijve haren van het vruchtpluis, en bij de Papilionaceeën, bij voorbeeld Trifolium stellatum, (zie in Fig. 4) de wijduitstaande kelktanden, die door een afwisselend uiteenwijken en op elkander dringen een beweging veroorzaken, die het best met kruipen kan worden vergeleken.

In al deze gevallen zijn de hygroscopische organen, de kafnaalden en haren, óf aan beide zijden, óf aan één kant, óf ten minste aan de punt voorzien van kleine tandjes, zooals op de hiervolgende vergrootte afbeelding in I-iy. 1

Sluiten