Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zuid-Amerika en West-Indië, waar de boom groeit en soms ook wel in Europa, onder den naam ceibawol voor bedden gebruikt]. Somtijds is het pluis aan den voet van het zaad bevestigd, zooals bij Populieren en Wilgen, Fig. 10 van de plaat op blz. 254. Bij de Lischdodden, Typha, lig. 4 van die plaat, ontstaat het aan het steeltje der vrucht, en bij vele Ranunculaceeën, bij voorbeeld Anemone sylvestris, afgebeeld op blz. 257, in Fig. 2, op de opperhuid der dopvruchten.

Weer in andere gevallen komen de wollige of zijdeachtige haren voort uit bloemdeelen, zoo bij voorbeeld zijn bij Eriophorum, Wollegras, Fig. 5 van de plaat, de bloemdekbladeren in lijne haren veranderd, en bij Irifolium plumosum ziet men de vruchtkelken als geheel door wol omhuld. Bij veel Grassen zijn de kafjes bezet met buitengewoon fijne haren, bij voorbeeld bij Calamagrostis en Melica, Fig. 11 van de plaat; bij de Composiet Micropus gaan lange haren uit van de schubben van het omwindsel, zoodat het geheele vruchthoofdje daarin als in vlokken gehuld is, en bij den Pruiken boom, Rhns rotinus, vindt men op de vruchtstelen harige takjes, die als gemetamorphoseerde bloemstelen worden beschouwd.

Ten slotte moeten wij nog melding maken van die gevallen, waarin vruchten en zaden door middel van eigenaardige ha ar staarten korter of langer in de lucht blijven zweven. De zaden zijn óf dubbel gestaart, zooals bij de tot de Cyr tandraceeën behoorende Aeschimnthus, Fig. 13 van de plaat bij blz. 2i>4, waar van elk der zeer kleine zaden twee tegenover elkaar geplaatste enkelvoudige haren uitgaan, öf wel de na den bloei verlengde stijl is veranderd in een spiralig gedraaiden, harigen staart, die even als een valscherm op het dopvruchtje is geplaatst, zooals bij Geum mmtanum, Atragene, Pulsatilla en Clematis, eerstgenoemde afgebeeld in Fig. 12 van de plaat bij blz. 254. Bij eenige (li assen, bij voorbeeld Stipa, afgebeeld in Deel II op blz. 306 in /* ig. 1, komt het ook voor, dat een kafnaald als een lange veer boven de stevig aaneensluitende, de vrucht omhullende kafjes uitsteekt.

Verschillende, in de vorige regelen behandelde vruchten en zaden zijn onmiddellijk blootgesteld aan den stoot van den wind. Daar bij het uitdrogen der vruchthulsels en vruchtstelen in den tijd der rijpheid bepaalde weefsellagen bros en murw worden, heeft er al bij een matig windstootje een verbreking van den samenhang plaats, of wel een afvallen van de rijpe vruchten, en dezelfde windstoot, die de afscheiding teweegbrengt, drijft de zwevende vrucht in horizontale richting voort. Eerst bij verzwakking van den wind of bij het stooten togen een onoverwinnelijken hinderpaal valt de weggeblazen vrucht neder.

Vele andere vruchten en zaden laten wel, als ze rijp zijn, vanzelf los van de moederplant, maar worden daardoor niet onmiddellijk blootgesteld aan den stoot van den wind. Bij hen treft men veelsoortige inrichtingen aan, welker bedoeling is, dat de te verspreiden deelen tijdig uit hun schuilplaatsen onder het bereik van den wind worden gebracht. Eenige op andere planten levende gewassen, vooral de op de schors van oude boomen groeiende tropische Orchideeën, Aerides, Angrecum, Sar-

Sluiten