is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

duiken zij geheel onverwacht op plaatsen op, waar de vogels op hun zwerftochten rustten en gingen drinken. Het merkwaardige voorkomen van de kleine, in Indië inheemsche Coleanthus subtil is aan de randen van plassen in ZuidKoheme en de plotselinge verschijning van dit gras voor een twintigtal jaren in West-Frankrijk, alsook liet voorkomen van de tropische Scirpu# atropiirpureus aan den oever van het meer van Genève en dat van de zuidelijke Anayallis tenella aan den oever van de Schwarzsee bij Kitzbüchel in Noord-Tirol moet zonder twijfel op de hier aangegeven wijze worden verklaard.

Dat door tusschenkomst van de door den regen doorweekte aarde op de steppen en akkers en langs de wegen talrijke vruchten en zaden aan de hoeven, klauwen, teenen en pooten, alsook aan de haren en veêren van voorbijgaande dieren gehecht worden, heeft men veelvuldig waargenomen. Darwin vond in 6V2 ons hard geworden aarde, die afgenomen werd van den poot van een patrijs, talrijke zaden, waarvan er 82 ontkiemden. Vele zoogenaamde onkruiden, die op de velden en langs de wegen groeien, als 1'runella vulyaris, Brunei; Maloa rutumlifolia, Rondbladig Kaasjeskruid; I'otentilla anserina, Zilverschoon; Potentilla reptans, Vijfvingerkruid; I'otentilla supina, Liggende Ganzerik; Hanuticulus Sunlous e. a. worden hoofdzakelijk op deze wijze verspreid. Ingevolge eene mededeeling van C. Heller vindt men ook de hechtschijven aan de teenen der Gekko's, een soort van hagedissen, die langs gladde rotsen en muren goed kunnen voortloopen, soms bezet met fijne zaden, en het is niet twijfelachtig, of door deze dieren kunnen bepaalde planten over rotsige en steile hellingen worden verspreid.

Dat kleverige stoffen, die door de vruchten en zaden zelf afgescheiden worden, hun vasthechting aan voorbijtrekkende dieren sterk bevorderen, spreekt vanzelf. Als de in Deel II op blz. 303 genoemde afscheidingen van kleefstoffen uit de bevochtigde vruchten en zaden bij verschillende .Samengesteld- en Kruisbloemigen, Lipbloemigen, Wederiken enz. in de eerste plaats ook alleen de bevestiging aan het kiembed bedoelen, toch wordt er vaak nog een tweede voordeel mee bereikt, namelijk het aankleven aan voorbijkomende dieren. Zeer in 't bijzonder moet hier worden gewezen op de Tijloos, Colchicum, welker zaden door een betrekkelijk groot, bij bevochtiging kleverig wordend kiemwratje, caruncula, aan de hoeven van runderen, schapen en paarden kleven en vooral op deze wijze van de eene streek naar de andere worden overgebracht. Ook moeten wij hier nog melding maken van het geval, dat een Steenuil, Carine noctua, die bij 't vangen van muizen langs een struik van Alsem, Artemisia, streek, bij het wegvliegen met de ten gevolge van een vroegere regenbui kleverig geworden vruchtjes dezer plant totaal was overdekt.

Soms worden de zaden van de overrijpe, bij de geringste drukking berstende, saprijke bessen van Bryonia, Heggerank; Lycium, Boksdoorn; Solanum, Nachtschade en verschillende andere Cucurbitaceeën en Solaneeën aan de haren en borstels van voorbijgaande en erlangs strijkende dieren vastgekleefd, en het is, naar hetgeen reizigers meedeelen,