Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VERSPREIDING EN VERDEELING DER SOORTEN.

onveranderd niet hun specifieke kenmerken in hunne nakomelingschap in wezen. Maar ook dan, als de verspreidingsgebieden in elkanders buurt liggen en er in den afstand geen beletsel zou gelegen zijn voor de kruising van bewoners dezer gebieden, kunnen twee of meer soorten scherp gescheiden naast elkander in stand blijven, en wel doordien zij op uiteenloopende tijden bloeien.

Wanneer de eene soort al is uitgebloeid, terwijl de andere pas begint te bloeien, kan een kruisbestuiving in de vrije natuur niet tusschen hen plaats hebben. Deze verhindering van de kruising noemt men asyngamie, en zij is oorzaak, dat zeer veel op elkander gelijkende soorten soms dicht naast elkander wonen, zonder bastaarden te kunnen vormen, zoodat zich ook geen nieuwe tusschen vormen ontwikkelen. Als Aster amellus begint te bloeien, is op dezelfde plaats de er veel op gelijkende Aster alpinus reeds uitgebloeid; als Soliriatjo oinjaurea, Wilde Guldenroede, hare eerste bloemen ontplooit, hebben op dezelfde plaats de bloemen van de er groote overeenkomst mee vertoonende Solidago alpestris reeds vruchten gevormd. Men vindt daardoor zulke asyngamische soorten, waarop reeds op blz. 31 werd gewezen, ook op die plaatsen, waar hun verspreidingsgebieden onmiddellijk aan elkander grenzen, ja zelfs daar, waar zij in elkander grijpen en waar de verschillende kleine soorteu door elkander groeien, in hun specifieke kenmerken onveranderd bij de nakomelingschap bewaard.

Plantengemeenschappen en Flora's.

Waar in de werkzaamheid der natuur niet storend wordt ingegrepen dooide tusschenkomst der menschen, vereenigen zich de plantensoorten tot gemeenschappen, waarvan elk zich in het landschap als een afzonderlijk geheel voordoet. Op velerlei manier verdeeld en gerangschikt geven deze plantengemeenschappen de streek, waar ze voorkomen, een bepaalden stempel, die het karakter aanduidt, zooals de trekken van een menschengelaat. De soorten, waaruit zij bestaan, kunnen behooren tot de meest verschillende plantenfamiliën. De oorzaak van hun tezamen voorkomen ligt immers niet in hun afstamming, maar in den aard hunner woonplaats. Dat wat hen leden eener gemeenschap maakt, is niet de familiebetrekking, maar de gelijkheid in levensbehoeften.

Het is misschien wel waar, dat er onder de vele duizenden, de aarde bevolkende planten geen twee zijn, welker eisclien geheel met elkaar overeenkomen, wat sterkte en duur der verlichting aangaat, of wat betreft het samengaan van den dagelijkschen lichtduur met bepaalde hoeveelheden warmte, of met het oog op samenstelling en hoeveelheid van de op de woonplaats voorhanden en beschikbare voedingszouten, of in zake vochtigheid der lucht en van den grond en a propos van vorm en duur der jaarlijksche verdeeling van den atmosferischen neerslag. Dit neemt echter niet weg, dat op bepaalde plaatsen kan voldaan worden aan gelijke eischen, en dat verschillende soorten, als hunne behoeften dezelfde zijn, ongestoord in gezellig samenleven naast en met elkander

Sluiten