is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PLANTENGEMEENSCHAPPEN EN FLORA'S.

Blad mossen en verschillende, éénjarige, bloeiende planten als eerste kolonisten komen aanzetten, die den grond na verloop van langer ot korter tijdruimten voor andere planten toebereiden. Deze voorbereiding, die aldaar werd behandeld, bestaat niet alleen in mechanische veranderingen van den grond, maar ook in de bijmenging van humus, die van de gestorven deelen der eerste kolonisten afkomstig is. Op den zoo veranderden grond gaan zich nu plantensoorten voor vast vestigen, die van de eerste kolonisten totaal verschillen, en, wat het merkwaardigste is, de eerste bewoners worden door de nieuw aangekomenen langzamerhand verdrongen, 0111 zoo te zeggen, uit het veld geslagen.

Maar ook de tweede kolonisatiegroep vindt nog geen blijvende plaats. De hoeveelheid van den uit gestorven plantendeelen gevormden humus vermeerdert van jaar tot jaar; do aan humus overrijke grond is nu ook voor de planten der tweede kolonisatieperiode niet meer geschikt, en nu herhaalt zich nogmaals het verdringen van de tot nu toe daar levende planten door zulke nieuwe, als op den humusrijken grond voortreffelijk gedijen en hem langzaam en geleidelijk geheel bezetten. Zoo kan men overal minstens drie, niet zelden echter ook vier of vijf op elkander volgende groepen van kolonisten aantoonen. Als nu ieder dezer groepen deel uitmaakt van oen bepaalde gemeenschap, wat immers feitelijk het geval is, dan moet het zooeven geschetste proces den indruk maken, dat de gemeenschappen in den loop des tijds veranderen en voor elkander in de plaats treden. Hij elke plantengemeenschap moet men daarom niet alleen het hoogtepunt beoordeelen, maar men moet ook letten op het stadium van aangroei en dat van vermindering.

In liet stadium van aangroei treft men nog overblijfselen aan van de op de bedoelde plaats vroeger geleefd hebbende gemeenschap, en in het verminderings- of verdwijningsstadiurn vindt men reeds de eerste kolonisten van de aankomende gemeenschap. Als bijvoorbeeld op een kussen van Borstelgras afzonderlijke exemplaren opduiken van planten, die kenmerkend zijn voor de tot een andere, bijvoorbeeld tot het struikgewas of het bloemgewas behoorende gemeenschappen, dan behoeft dit voorkomen ons volstrekt niet in de war te brengen bij begrenzing en beschrijving van genoemde gemeenschap. Er blijkt alleen uit, dat men zich bij determineering en beschrijving allereerst aan het hoogtepunt" in de ontwikkeling van elke gemeenschap moet houden, maar dat men in ieder geval ook het stadium van aangroei en dat van afneming, alsook de betrekkingen tot de andere gemeenschappen in het oog moet houden.

Waar door vorm en samenstelling van den grond de vorming van vele vaste standplaatsen voor planten gemakkelijk wordt gemaakt, ontwikkelen zich ook do aan de standplaatsen beantwoordende plantengemeenschappen in bonte afwisseling door elkander. De grenslijnen der aaneensluitende gemeenschappen verloopen daarbij op veelsoortige manier. In laaglanden, waai zachte heuvelhellingen, ondiepe inzinkingen, zandige, leemhoudende en zoutbevattende gronden met elkander afwisselen, zijn de gemeenschappen niet zelden als de deelen van een mozaïek aaneengevoegd; op andere plaatsen ziet men

die van geringen omvang als eilanden in de ver uitgestrekte gemeenschappen

°n

A. Kukskk yom .Makti.au>, liet leven «lor planten. IV.