Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VERSPREIDING EN VERDEELING DER SOORTEN.

liggen, en in nog meer andere gevallen sluiten ze als breede banden en gordels aaneen. I)e laatste verdeeling komt vooral voor langs de oevers van stroomende en stilstaande wateren, en laat zich verklaren door den gelijkmatig afnemenden vochtigheidstoestand van den grond met den toenemend grooter wordenden afstand van den oever, en bij stilstaande wateren ook door het vooruitdringen van de plantenwereld van de randen naar het midden der poelen en plassen, met andere woorden, uit de gelijkmatig vorderende verandering van de het water opvullende kluwens in rietbosschen, van deze in bloemgewas en dan verder in kussens, struikgewas en bosch.

Zeer dikwijls komt het voor, dat twee, drie of meer gemeenschappen dooreen gedrongen zijn en in zekeren zin boven elkander zijn afgezet. Een dennebosch kan op zich zelf staan, dat is, het kan alleen uit den voorrang innemende pijnen of dennen en misschien enkele ingestrooide andere boomen bestaan, zonder dat op den bodem van het woud iets anders is te zien dan afgevallen, droge, den grond bedekkende naalden. Er kunnen zich echter beneden op den grond ook kussens van moszoden hebben gevormd, er kan struikgewas van heide zijn ontstaan, laag struikgewas van Calluna vulgaris, Struik heide, of van Erica carnea, en hoog struikgewas van Juniperus, .1 en everbes, kan ertusschen opgeschoten zijn, gemeenschappen, waarvan ieder voor zich zonder bedekking door de kronen der pijn- of masthoornen kan bestaan en ook dikwijls genoeg als zoodanig, dus zelfstandig wordt aangetroffen.

Maar al is ook de aanwezigheid van liet eene gemeenschap voor het bestaan van het andere niet volstrekt noodzakelijk, toch blijkt uit het feit van het te zamen voorkomen reeds, dat door de aaneensluiting geen enkel deel schade lijdt, en het is veel waarschijnlijker, dat de op denzelfden grond ontwikkelde gemeenschappen elkander vooruithelpen en ondersteunen. In vele gevallen is dat zelfs boven allen twijfel verheven, zoo bijvoorbeeld dan, als een gemeenschap van hooge planten zich op den door een gemeenschap van lage planten toebereiden grond ontwikkelt, zonder dit geheel te verdringen.

Uit deze opmerkingen blijkt, dat de vereenigi 11 g van verschillende plantengemeenschappen ver van toevallig is, dat zich altijd slechts zekere bepaalde gemeenschappen met elkander verbinden en elkander wederkeorig doordringen kunnen en dat ook in dit opzicht volgens strenge orde en naar onveranderlijke wetten

gehandeld wordt.

Om de hier aangeduide tegenstelling in de groepeering der genootschappen

duidelijk te maken, zij op twee afbeeldingen gewezen. De eene, op de plaat van blz. 297, laat ons een bosch zien, dat enkel bestaat uit hoogstammige Beuken, Faqus sylvatica, en op welks grond slechts afgevallen bladeren zijn te zien. De andere op blz. 307, stelt een bosch uit Dalmatië voor, waarin onder de kronen van Quercus ilex, [de Atijdgroene Eik, in Zuid-Europa zeer verspreid] nog twee gemeenschappen duidelijk boven elkander zijn te zien, beneden eene laag van grassen en kruiden, en daarboven een laag van altijdgroene heesters, met name Myrtus communis, Pistacia terebinthus, Arbutus unedo en Viburnum tinus.

Sluiten