Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waardige Flora ten tijde van de grootste uitbreiding der gletschers als een stroom uit het Poolgebied naar het Zuiden zou hebben uitgebreid. Die meening is echter niet in overeenstemming met de in den nieuweren tijd waargenomen feiten. Aan die oudere beschouwing lag ten grondslag de ongelukkige dwaling, dat de Flora van het Poolgebied overeenkwam met die van de Alpon in Middelen Zuideuropeesche landen.

Als men de Arctische Flora met de Alpenflora alleen uit boeken en herbaria bestudeert en met elkander vergelijkt, komt men licht in de verzoeking, zeer nauwe betrekkingen aan te nemen tusschen de plantenwereld van het hooge Noorden en de Alpenflora, want een niet onaanzienlijk aantal soorten behoort werkelijk tot beide Floragebieden en ontbreekt tegenwoordig alleen in het wijde gebied tusschen Alpen- en Poolwereld. Maar juist van deze plantensoorten beliooren de meeste in de Alpen tot de grootste zeldzaamheden, en men vindt ze daar maar op enkele, niet groote uitgestrektheden, op zwarten humus, in venen en aan koude bronnen. Zeker zijn er vele botanici, die jaar uit jaar in naar de Alpen gaan, om daar planten te verzamelen, er alle lagere en hoogere toppen bestijgen, de afgelegenste dalhoekjes doorzoeken, ook grondige kennis der Alpenplanten bezitten en niettemin do Saxifraga cernua, Betula nana, Juncus nrcticus, Juncus castnneus en nog verscheiden andere soorten, die in de PoolHora algemeen zijn, nooit levend hebben gezien, eenvoudig omdat die planten zoo zeldzaam zijn in de Alpen.

Wanneer daarentegen een plantkundige, die de Arctische Flora op de plaats, waar zij groeit, zeer nauwkeurig heeft leeren kennen, voor de eerste maal in onze Alpon komt, ontmoet zijn oog een geheel nieuwe wereld. Niet alleen dat het aantal der in de Alpen inheemsche soorten veel grooter is dan in het hooge Noorden, ook de samenstelling der beide Flora's verschilt verbazend veel. Juist die soorten, die in onze Alpen door hun talrijkheid van exemplaren het meest op den voorgrond treden, die er het grondweefsel van de plantengemeenschappen uitmaken, de Grassen en Zeggen, in tallooze exemplaren naast elkaar uitgebreide kussens vormend; de groepen van Borgdennen (l'imis moiitana of humilis), Alpenelsen (Alnus viridis) en Dwerg mispels (Contoneaster); het struikgewas van Alpenrozen, de tapijten van lage, op den grond liggende, houtige planten, als lihamnus pumila, Daphne striata, Salix return en Salix Jacquhiiam, en nog vele andere soorten, die als kenmerkende vormen op de rotsen en de puinvlakten zich vertoonen en het onovertroffen sieraad van het hooggebergte vormen; ja zelfs de naast de Alpenrozen meest bekende planten uit de Alpenflora, Valeriam celtira, Meum mutellina, Primula auricula (de Aurikel), Artemisia mutellina (de Edel ruit) en Ghiaphalium leontopodhim (het bekende Edel wit), komen niet voor in de Poolflora.

De Alpenplanten van meer dan 50 geslachten ontbreken geheel in het Poolgebied, en van vele andere geslachten hebben beide gebieden wel eenige gemeenschappelijke soorten aan te wijzen, maar juist die, welke voor de Alpenflora zoo kenmerkend zijn, worden in het Noorden te vergeefs gezocht. Het is bepaald onzinnig te meenen, dat zulk een Flora uit het Poolgebied naar de

Sluiten