Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met deze verklaring het best in overeenstemming zijn te brengen. Zoo vooral het door talrijke fossiele overblijfselen aangetoonde voorkomen van foi^he gewassen met groote bladeren in de poolstreken in den m.ocenen tijdde krijt- en de steenkoolperioden. In den miocenen tijd en de krijtperiode groe.den en gedijden "Onland, Grinnellland, IJsland en

Magnolia's, Linden, Platanen, Broodvruchtboomen en \at leliën Al die planten kunnen daar tegenwoordig om twee redenen niet meer gedijen. Ten eeiste zouden de daar heerschende toestanden der ver hchting, dus de verdeeling van dag en nacht, zomer en winter, een gezonde ontwikkel.., niet toelaten en ten tweede ontbreekt de voor een krachtigen groei benood.gde warmte Nadat de grootste geophysici van den tegenwoordigen tijd zich te-en het aannemen van een gloeiend vloeibaar binnenste der aarde hebben lelant ta het niet aan, de voor het gedijen der zware Platanen. Magnolia s B™?vr,,ehtboomen nodige hooge temperatuur «la u.t hetJ,mimneteder aarde afkomstig te beschouwen. Daarentegen laat het voorkomen van loofboomen met -roote bladeren in Noord-Groenland, Grinnellland, IJsland en S zeer goed verklaren, als men aanneemt, dat toen het punt, t welk thans de noordpool vormt en daarmee het geheele gebied, dat tegenwoordig otd poollanden wordt gerekend, een anderen stand innam ten opzichte van de baan Se" aarde en dus °ook aan een andere verlichting en verwarming door de zonne-

der planten vóör den eocenen tijd en de krijtperiode geven de onderzoekingen over de verspreiding der thans levende planten geen steunpunten, en men is in dit opzicht op de uit die oudere perioden af komstige fossiele overblijfselen aangewezen. Deze zijn, helaas weinig in ge a^ en \orme zoker slechts een heel klein deel van het aantal plantensoorten, dat voo krijtperiode heeft geleefd. Maar twee dingen blijken echter uit die overblijft en SeS Ten eerste, dat er toen geen enkele groote plantengroep was, die ook thans niet nog is vertegenwoordigd, en ten tweede, dat eenige, s ei in oog vallende geslachten van bepaalde groepen uitgestorven zijn en door andere

geslachten uit die groepen zijn vervangen.

In 't bijzonder moet hier melding worden gemaakt van de tot de steen

koolperiode behoorende, hoornachtige Wolfsklauwen of Lycopodiaceae *n de Lt de Paardestaarten behoorende Calamiten, welke - den steenkool uitgestrekte bosschen moeten hebben gevormd. liet meest trekken de o blijfselen dezer zonderlinge Calamiten der steenkoolperioden de aandacht, al, z op plaatsen worden gevonden, waar tegenwoordig lage kruiden, mossen i korstmossen den grond bedekken, en wa»r ,1» .arde drie vierde jaar onder een sneeuwlaag ligt, zooals dat op Nova Zembla, Spitsbergen

"de AtTlLekt het niet aan Zulke door hun tege„.«,inge„ opmerkelijke plaatsen. Een der merkwaardigste is het kleine hooge dal, het ÓsThniUdi. in Tirol, waarin ik sodert vele jaren een deel v.n breng. Het buis, waarin ik daar woon en waarin ik ook het grootste dee

Sluiten