Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als men echter het weinige overweegt, wat Plinius over Secale meedeelt, komt men tot de overtuiging, dat daarmee niet die korensoort, die de botanici van den tegenwoordigen tijd Secale cereale noemen, kan zijn bedoeld, maar de Boekweit, Polygonum fagopyrum of Fagopyrum esculentum, die in Plinius tijd evenals nog heden ten dage als meelleverende plant in de Alpendalen veelvuldig werd verbouwd.

Wel meent men, uit verscheiden oudere opgaven het besluit te mogen trekken, dat de boekweit eerst in de 15de eeuw uit Noordoost-Azië tot ons gekomen is en dat zij in de oudere cultuurlanden tot dien tijd volkomen onbekend was, maar het bewijs, dat in de papyrusrol van el-Fayfm uit de 10de eeuw meel van boekweit werd aangetoond, spreekt die bewering togen en maakt het zeer waarschijnlijk, dat met de plant, die Plinius Secale noemde, Boekweit, Polygonum fagopyrum, bedoeld werd. Wat echter de thans den naam Rogge dragende en met Tarwe en Gerst verwante korensoort betreft, die was aan Plinius en over 't geheel aan de Romeinsche schrijvers onbekend gebleven.

De naam Rogge luidt in liet Oudhoogduitsch rocco, in liet Oudnoorsch rugr en in het Angelsaksisch ryge, en daarmee wordt een korensoort bedoeld, die in het Oostzeegebied zeer veelvuldig op velden verbouwd wordt en daar een der meest algomeene graansoorten vormt. Langs de lijn Sicilië, Dalmatië, Servië en Anatolië groeit in t wild een hcele reeks van (iraminecên, die tot hot geslacht Secale behooren en die men met roggesoorten in verband zou kunnen brengen en als stamplanten ervan zou kunnen beschouwen, en wol op Sicilië Secale montanum, in Dalmatië Secale dalmaticum, in Servië Secale serbicum, in Anatolië Secale anatolkum. Tegen de meening, dat een van deze soorten de stamplant van de gecultiveerde Rogge is, spreekt de omstandigheid, dat het overblijvende planten zijn, terwijl de gekweekte Rogge éénjarig is, en het is het waarschijnlijkst, dat deze plant in de voortzetting der lijn Sicilië, Dalmatië, Servië, Anatolië, dus op de liooge steppen van Centraal-Azië haar oorspronkelijk vaderland heeft.

Dit eene geval werd hier eenigszins uitvoerig besproken, om aan te toonen, hoe twijfelachtig alle opgaven over den oorsprong onzer meest bekende, in het groot gekweekte, meelleverende planten zijn. Rij deze gelegenheid moet ook gewezen worden op de onjuistheid van de zeer verspreide meening, dat korrels van Triticum durum, die bij de mummiën in Oudegyptische graven lagen en die Mummietarwe is genoemd, nog na een paar duizend jaren tot

kieming zouden zijn gebracht.

Afgezien van Triticum, llovileum en Secale, spelen onder dc meelleverende

Grainineeën Rijst en Maïs de hoofdrollen.

Rij de Rijst, Oryza, die éénjarig is en tot de Pluimgrassen behoort, onderscheidt men de Berg rijst, Oryza montana, die slechts een korte groeiperiode noodig heeft, met een drogen of althans matig vochtigen grond tevreden is en vooral in de berglanden van Indië wordt gekweekt, en de Gewone Rijst, Oryza satira, die een langere periode van ontwikkeling met eene gemiddelde

Sluiten