is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het eerst in 1585 in Spanje in. Tegen het einde der 16de eeuw ging de gewoonte tabak te rooken naar Engeland, in 't begin der 17de eeuw stak zij naar Frankrijk over, en door den Dertigjarigen oorlog werd het rooken in Duitschland en Oostenrijk algemeen. Trots allerlei verbodsbepalingen heeft zich vooral in de 19de eeuw het rooken van tabak niet alleen over geheel Europa, maar men kan wel zeggen, over de geheele wereld verbreid. Het snuiven van tabak, dat vooral in Frankrijk in de jaren 1610—1«>43 in de mode kwam, is in de laatste tientallen van jaren weer sterk verminderd.

In het Oosten wordt in plaats van Nicatiana tabacum een andere soort, Nicotiana rustica verbouwd. De uit deze plant bereide tabak is onder den naam Turksche Tabak bekend. Zij draagt ook den naam van Boerentabak, omdat het in die landen, waar de verbouw en de verkoop van tabak een monopolie zijn van de regeering, den boeren vergund is een zeker aantal dezer planten in hun tuinen te verbouwen en wel om die te gebruiken, ter verdrijving van ongedierte bij het vee.

Het kauwen van tabak, het pruimen, is niet zeer algemeen. Daarentegen moeten wij hier nog van een genotmiddel spreken, dat gekauwd wordt en in den Oostindischen Archipel en in Zuid-Azië door 100 millioen menschen wordt gebruikt, namelijk de betel, afkomstig van Pi per Betle of Chavica Bet le. Met de bladeren van deze plant, die tot de Piperaceeën behoort, de betelbladeren of sirih, worden, nadat men ze aan den eenen kant met een brij van kalk heeft bestreken, stukjes van de Arecanoot omwikkeld en dit vormt dan samen de „pruim", De bedoelde noot is de zaadkern van Areea cateehu, dooide Maleiers „pinang" genoemd. Het sirihkauwen geeft een aromatiek-bitteren smaak in den mond, kleurt de tanden zwart en tandvleesch en lippen bruinrood en moet een zekere opgewektheid teweegbrengen.

Voederplantcn voor de huisdieren.

Hij de bespreking van de door den mensch gebruikte, uit het plantenrijk afkomstige voedings- en genotmiddolen moge zich do behandeling aansluiten van het voeder, dat wij aan ons vee en onze andere huisdieren geven.

Het voor het vee noodige voer wordt öf in de vrije natuur afgeweid öf het wordt den dieren in den stallen voorgeworpen. In streken, waar uitgestrekte grasvelden den grond bedekken, maar waar nooit sneeuw valt, als bij voorbeeld in Abessynië, laat men de herkauwende dieren het geheele jaar door in de open lucht grazen, en zij eten, in den tijd van den stilstand in het plantenleven, de droge halmen en bladeren. In de streken, waar het weiden der dieren door den sneeuwrijken winter wordt afgebroken, moeten zij gedurende het ongunstige jaargetijde in de stallen worden gevoederd. Op groote boerderijen heeft ook wel een permanente stalvoedering in winter en zomer plaats.