Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als voedsel bij de stalvoedering gebruikt men voor liet pluimvee voornamelijk graankorrels, voor de varkens knollen of wortels, aardappels, topinamboers, rapen en afval, voor paarden naast hooi vooral haver en soms versch groenvoer, zoo bij voorbeeld in Beneden-Italië versche Incarnaatklaver, Trifoliuin incarnatum; voor de herkauwende dieren, vooral voor runderen en schapen: hooi, knolgewassen, gehakt stroo en de bekende lijnkoeken, het samengeperste en gekneusde zaad van vlas, waaruit men de lijnolie heeft geperst. Bovendien worden voor hetzelfde doel gebruikt raapkoeken (zaad van Brasm-a rapa, waaruit de raapolie is geslagen) en dederkoeken (van de Hutten tut of Dn! er, Camel i na soft ca, ook een Crucifeer), alsmede palm- en katoenkoeken, zoowel als aardnoot- en sesamkoeken.

l)e belangrijkste voedermiddelen voor de herkauwende dieren zijn de Grassen en de Vlinderbloemigen, welke laatste zich vooral onderscheiden door hun groot gehalte aan eiwitachtige verbindingen. De gunstigste plekken, om dieren te laten grazen, zijn dan ook die, waar men gras aantreft vermengd met Papilionacecën. Voor den tijd der stalvoedering maakt men van die Grassen en Vlinderbloemigen hooi, dat in drogen toestand wordt gevoederd. Van dit grashooi onderscheidt men zoet hooi, dat wordt verkregen van droge gronden en hoofdzakelijk bestaat uit Weidegrassen, en zuur hooi, dat voornamelijk een mengsel is van verschillende Cypergrassen, vooral de soorten van de geslachten Carex, Scirpus, Schoen tis en dergelijke.

Van liet zoete hooi is in het bijzonder het berghooi zeer gezocht, dat is het hooi, 't welk men in het hooggebergte van de almen of Alpenweiden krijgt. In de hooggelegen dalen der Alpen trekt oud en jong in den zomer naar het hooggebergte, om daar in eigen hutten weken lang te wonen en gedurende dien tijd het gras op de bergen te maaien, 0111 het berghooi te winnen. Het gras wordt overdag in den zonneschijn uitgespreid, 's avonds weer bijeengeharkt op hoopen en eindelijk, als het droog is, in een luchtige hooischuur opgestapeld. Daar liet transport van liet versche hooi, van de hoogten af naar de bij de gehuchten in het dal gelegen stallen, in den zomer met groote moeilijkheden verbonden zou zijn, wordt dat vervoer tot den winter opgeschort en dan wordt het hooi op daarvoor ingerichte sleden naar het dal vervoerd.

De weiden in het hooggebergte, die liet berghooi leveren, worden ieder jaar slechts éénmaal of ook wel slechts 0111 het tweede of derde jaar gemaaid. De Duitschers noemen zulke weiden „Galtwiesen". Ook in lagere streken komen die weiden voor, maar meestal wordt op die, welke lager liggen, tweemaal per jaar gemaaid. „Grummet" noemen de Duitschers het hooi van den tweeden snit. Waar nog een derde maal kan worden gemaaid, wordt het gemaaide hooi „Powel" genoemd. De grassoorten, die zoet hooi leveren, behooren tot de geslachten Festuca, Zwenkgras; Pon, Beemdgras; Agrostis, Struisgras; Dactylis; Anthoxanthum, Reukgras; Avena, Ha ver e. a. en kenmerken zich door slanke, buigzame halmen en dunne bladeren, /ij zijn alle zeer voedzaam en worden door de herkauwende dieren, vooral door de runderen, graag gegeten.

Sluiten