Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook in veel plantennamen nog merkbaar en tot op den huidigen dag zijn er menschen, die er aan vasthouden.

Langzamerhand was de hoeveelheid geneeskrachtige planten tot ongeveer 8000 gestegen. De dokters kwamen nu tot het inzicht, dat dit aantal op een „teveel van het goede" wees en zij stelden een groot deel dier artsenijgewassen ter zijde. Allereerst begon men met de Asperifoliaceeën. Het was gebleken, dat de talrijke, tot nu toe uit deze familie gebruikte gewassen, als b.v. Cynoglossum officinale, Hondstong; Anchusa officinalis, Ossentong: Lithosper murn officinale, Gladzadig Parelkruid, slechts indifferente stoffen bevatten, die als geneesmiddel zoo goed als geen waarde hadden. Dus werden ze niet meer gegeven. Datzelfde geschiedde met talrijke, uit andere familiën afkomstige geneesmiddelen, en zoo werd het aantal geneeskrachtige planten van 8000 op ongeveer 300 gebracht. De grondstellingen, waarvan men bij deze keuze uitging, berustten op chemische en physisclie onderzoekingen en op proeven met de geneeskrachtige stoffen genomen op gezonde en zieke menschen. Bij de groote moeilijkheden, welke men bij deze proeven had te overwinnen, kan men niet nalaten te vermoeden, dat het zoo aanmerkelijk verminderde aantal geneesmiddelen nog wel een verdere reductie zou toelaten, en feitelijk wordt ook door de meeste geneesheeren van den nieuweren tijd nauwelijks een tiende of twintigste gedeelte van de genoemde 300 geneeskrachtige planten in hun praktijk aangewend.

Men kan de artsenijgewassen in de volgende negen groepen verdeelen.

1). Prophylactica, voorbehoedmiddelen. Onder deze moeten in de eerste plaats worden genoemd die, welke gebruikt worden tegen de op of in het menschelijk lichaam levende parasieten, met name tot verdrijving van lintwormen en ook wel van spoel wormen, draadwormen en trichinen dienen. Genoemd moeten worden de bloemen van Brat/era antihelmintica of llayenia ahyssinica, die uit Abessynië komen en onder den naam Kousso bekend zijn; de klierharen, die zich bevinden op de vruchten van Hottlera tindoria of Mallatus philippensis, het roode poeder dat den naam Karna la draagt; de bast van den Granaatappelboom, Piinica yranatum, waarvan de werkzame stofpelletierine geheeten is, die in de bast, van de wortels voorkomt; de wortelstok van de Mannetjesvaren, Polystichum filix tnas, en de gedroogde bloemhoofdjes van Artemisia Cina, die het als Wormkruid bekende poeder leveren. Tegen luizen dienen de zaden uit de doosvruchten van Sabadilla officinalis ook genoemd Schoenocaulon of Asagraea officinale, een Liliacee. Overigens behooren nog in deze afdeeling thuis: Myroxylon Pereirae of Toluifera Pereira, waaruit de Perubalsem verkregen wordt en Li/juidambar officinale, of Liquidambar orientalis, die den Styrax liqiiidus levert, een welriekenden, taaien balsem, die uit den bast van den boom wordt bereid.

Een bijzondere onderafdeeling vormen de Antiseptica, die de gistings- en rottingsprocessen tegengaan en waardoor men de organische smetstoffen onschadelijk tracht te maken, en vooral de Bacteriën of Splijtzwammen, (Schizomyceten) tracht te dooden of paal en perk te stellen aan hunne verwoestende

Sluiten