Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kruiden, overblijvende gewassen en boomen. De namen zijn gegeven ineenbarbaarsch Latijn, maar laten zich bijna alle terugbrengen tot namen uit de geschriften der oude Romeinsche schrijvers. Dat de vervaardigers van de lijst hebben gedacht aan de tuinen, die bij de Italiaansche kloosters behooren, blijkt vooral hieruit, dat in de lijst ook de Laurier, do Picea pineae 11 de V ij ge boom worden opgenoemd, die aan deze zijde der Alpen wegens het ongunstige klimaat in de open lucht niet groeien, waaruit men kan afleiden, dat de samenstellers niet bekend waren met de klimaatstoestanden in de streken aan deze zijde deiAlpen. De namen der drie genoemde planten ontbreken dan ook in de latere berichten, die de Missi domhüci over den stand der pachthoeven en de daarmee verbonden tuinen inleverden. Wel blijkt uit deze berichten, dat de meeste der andere gewassen, die het klimaat aan deze zijde der Alpen verdroegen, volgens de eischen der verordening ijverig werden gekweekt.

Deze tuinen dienden echter ook als voorbeelden voor alle tuinen in het gebied ten noorden van de Alpen en wel niet alleen in de Karolingische periode, maar ook nog lang daarna tot in de 15de eeuw, dus in een tijdruimte van meer dan 500 jaren. Niet alleen bij de pachthoeven en bij de eigendommen deivrije landbouwers, maar ook in de kloosters en bij de grootere kasteelen vonden deze tuinen ingang, en, wat bijna nog merkwaardiger is, zij zijn in wie afge legen dalen en stille hoekjes tot op den huidigen dag met hun planten in wezen gebleven, zoowel een bewijs voor den geweldigen invloed van een groot man, als voor de behoudzucht van den boer, die bij vele planten al lang niet meer het doel der aanplanting kent en ze toch maar steeds in zijn tuin kweekt.

Als men de in de lijst der Capitulare aanwezige planten nagaat, kan men ze tot de volgende afdeelingen brengen. Allereerst ooftboomen, dan groenten, daarna planten met aromatieke bladeren, vruchten en zaden, die aan de spijzen worden toegevoegd; vervolgens planten, die in aanzien waren als geneesmiddelen tegen de ziekten van menschen en dieren, of die in verband stonden met eenige bijgeloovige opvatting, en eindelijk nog

planten met mooie bloemen.

De vruchtboom en werden in afzonderlijke vruchttuinen gekweekt. Men is verbaasd over de velerlei soorten van peren en appels, waarvan enkele als de Gorm ari ngers, Crevedellers en S pi r au ca s, in t bijzondei werden op den voorgrond gesteld, en waarvan ook nader werd aangegeven, hoe men ze in kelders in zand moest bewaren.

De groenten en de andere lage planten werden op bedden achter de muren verbouwd; de bedden deels langs de muren, deels op het middel\eld. Ze zijn buitengewoon talrijk, Kool en Radijs, Augurken, Salade, Boonen, Uien enz.

Nog talrijker zijn de planten, welker aromatieke bladeren, vruchten en zaden tot kruiding der spijzen werden gebruikt, en hiei moeten wij er melding van maken, dat het aantal van deze planten niet enkel in den tijd der Karolingers en in de Middeleeuwen, maar ook nog veel later, ja zelfs tot in het begin van de 19de eeuw grooter was dan het tegenwoordig

Sluiten