Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als zoodanig gebruikte. Men hield van sterk gekruide spijzen en voegde bijvoorbeeld bij het gebraad Salië, Rosmarijn, Hyssop e. d. De groenten, bijvoorbeeld kool, werden met aromatieke kruiden klaar gemaakt. Ook werden pannekoeken met aromatieke kruiden belegd. Tot in de 16de eeuw was het mede gebruikelijk, de sterk riekende bladeren van Tanaeetum balsamitu voor dit doel te bezigen, en nog in 't begin van de 19de eeuw gebruikte men Salië, Hyssop, Rosmarijn en Basilicumkruid tot kruiding der spijzen.

Ook de groenten zelf waren talrijker; een heele reeks planten werd als spinazie behandeld, zoo de bladeren van Blitum (Chenopodium)Bonus Henricus, de zoogenaamde Lammertjesooren of Goede Hendrik; Amarantus jirostratus, do „Liggende Amarant", en Atriplex nitens, de „Glanzende Melde". De bladeren van Postelein, van Lepidium latifolium, bet Peperkruid (een soort van Kruidkers) en vooral de sterk geurende , vleezige bladeren van de Goudsbloem, Calendula officinalis, werden met olie en azijn als salade gegeten. Verder Hapunzels (Phyteuma), Pinksternakels(/Winaca sativa, Witte peen) enz., die thans geheel buiten gebruik zijn geraakt. Van Borago officinalis, de Bernagie, heet het: „Zij mag gerust 111 spijs en

drank worden gebruikt".

De planten, die om hun geneeskrachtige werking werden verbouwd, zijn zeer talrijk. Tegenwoordig worden nog maar weinige daarvan door de geneesheeren gebruikt en andere zijn nog slechts als zoogenaamde huismiddeltjes hi zwang gebleven, zooals bijvoorbeeld de Varkenskervel of Me est erwortel (Peucedanum officinale); Lavaswortel (Levisticum officinale); Pioenen, (Paeonia officinalis) en Kattekruid (Nepeta cataria). Als merkwaardig moet vooral het Hu is look (Semperoioum tedorum) worden vermeld, dat men Joris barba, Jupitersbaard noemde, en waarvan men meende, dat zij den toorn van den dondergod kon stillen en wel zoo, dat daar, waar Huislook groeide, de bliksem nooit insloeg, waarom men aanried, de plant op de daken der huizen

te planten, (zie blz. 379). ... .

Wat de gewassen met fraaie bloemen betreft, die in de tuinen ten tijde

der Karolingers werden gekweekt, zij vormden maar een gering deel van den voorraad. Er worden alleen Kozen, Leliën en Pioenen genoemd, en zelfs bij deze is het de vraag, of ze uit zuiver aesthetische beweegredenen werden gekweekt. Men kan niet nalaten te vermoeden, dat bij het bevelschrift, om deze fraai bloeiende gewassen in de tuinen te kweeken, de gedachte aan huil heilzame werking of met andere woorden hun geneeskracht toch den toon

aangaf. .

Dit sluit nu, wel is waar, niet uit, dat men in den Karolingisclien tijd alsook in de Middeleeuwen over het geheel de bloemen wel van den aesthetischen kant beschouwde, ze om hun schitterende kleuren, schoone vormen en hun geur waardeerde en als tooi en sieraad bezigde. In de behoefte aan zulke bloemen, die men voor zijn genoegen had, werd toentertijd echter niet door de tuinen voorzien, maar meestal door wat in het wild groeide. Alleen de in do tuinen gekweekte Bozen leverden hun

Sluiten