Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bloemen ook af voor kransen en andere versieringen, voor het overige haalde men zich de bloemen van de velden en de weiden en uit de bosschen.

Dat dit gebeurde, blijkt onder meer ook hieruit, dat men op afbeeldingen van bloemen, die uit de Middeleeuwen zijn overgebleven, altijd alleen dezulke vindt, die buiten in 't wild zijn opgeschoten. In de bibliotheek van het klooster Göttweih bestaat een soort van kalender, waarin van week tot week de Evangeliën zijn opgegeven. De initialen zijn daarin zeer fraai geïllustreerd met bloemen en wel met de bloemen, die het jaargetijde opleverde. Zoo ziet men daar de eerste voorjaarsbloemen, Sneeuwklokjes en Anemonen, later Maagdepalm, en nog later Akelei en \iooltje enz., die zeker niet in tuinen, maar in de vrije natuur gegroeid en ingezameld waren.

Afgezien van de door Kakel de Groote in zijn rijk ingevoerde nuttige tuinen, is er van tuinaanleg in do Middeleeuwen slechts weinig te \ ertellen. Ondei de weinige sierplanten moeten alleen vermeld worden de mooi bloeiende, die Albertus Magnus in Keulen kweekte en wel omdat hij de eerste was die een poging deed, 0111 aan den Rijn een wintertuin aan te leggen. In den winter van 1240 ontving Magnus namelijk Koning Willem van Holland in een vertrek, waarin de daar gekweekte struiken als in den zomer in vollen bloei stonden. Hoe zeldzaam en hoe buitengewoon dat moet zijn geweest, blijkt hieruit, dat men de zaak toeschreef aan bovennatuurlijke invloeden, en dat Albertus Magnus daardoor verdacht werd, van zich met de zwarte kunst in te laten.

Dat in den tijd der Minnezangers ook de aesthetische zijde der bloemencultuur niet geheel buiten beschouwing kon blijven, is te verwachten. Inderdaad wordt uit die tijden bericht van sierlijke bloemtuinen op den Kahlenberg en op de Donau-eilanden bij Weenen, van de daar gekweekte 100de en witte Hozen ook, met welke men de minnezangers bekranste. Van koning Mathias Corvinis wordt verteld, dat hij omstreeks het midden der 15de eeuw bloemtuinen liet aanleggen bij zijn burcht Visegrad in Hongarije. Over de bloemen dezer tuinen ia wel is waar niets naders bekend, maar een oude teekening uit dien tijd leeit ons, dat de streek, grenzend aan het kasteel, terrasvormig opliep, dat van het eene terras naar het andere breede marmeren trappen omhoog leidden, dat de bloembedden door vijvers werden afgewisseld en dat er fonteinen sprongen, terwijl kiosken met marmeren zuilen omgeven, in 't midden van den tuin te zien waren.

Men mag aannemen, dat deze tuin van Corvinus en ook de tuinen op den Kahlenberg en bij den burcht in Weenen, aangelegd waren naar Oostersche modellen. Hiervoor pleit vooral de omstandigheid, dat men in \\ eenen de tuinen bij den burcht met den naam „paradijzen" aanduidde, dus met denzelfden naam, dien de groote tuinen in het Oosten droegen. Zooveel is zeker, dat huilde ondei de Medici in Italië naar Komeinsche voorbeelden aangelegde tuinen niet tot model dienden, daar deze tot de 16de eeuw behooren.

In de 10de eeuw begint een nieuwe periode voor de tuinen, vooral voor die groote parken, die met de villa's en paleizen als 't ware organisch waren verbonden. De bouwmeesters der villa's en paleizen hadden toentertijd ook op

Sluiten