Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarbij niet teveel in kleinigheden verdiepen, krijgen we ongeveer negen grondvormen van het plantenrijk, waaruit ten slotte alle plantengroepen der gansche wereld zijn samengesteld. (Zie blz. 292).

Verschillende dezer grondvormen kunnen reeds door hun afzonderlijk voorkomen belangrijk worden voor de physionomie van het landschap, en het ligt zelfs in den aard van verscheiden planten, zich slechts in enkele exemplaren te vertoouen. Andere kunnen zich daarentegen nooit tot iets zelfstandigs en onafhankelijks verheffen en doen zich, al komen ze ook nog zoo veelvuldig voor, toch altijd kennen als bijwerk tusschen andere plantenmassa's in. Evenals de ornamenten in een bouwwerk zien we bij voorbeeld de slingerplanten door een bosch geweven, en het is, alsof een afdeeling van plantenvormen steeds enkel tot taak had, het gebouw van een plantenformatie op te sieren en te tooien, terwijl andere afdeelingen het grove geraamte vormen, waaraan die ornamenten ter verfraaiing zijn toegevoegd.

De grootste beteekenis voor het landschap krijgen de grondvormen natuurlijk dan, als ze gezellig bij elkander groeiend voorkomen en zich tot geheele plantenmassa's van één karakter bij elkaar aansluiten. Men duidt zulke, door één en dezelfden grondvorm ontstane plantenmassa's met den naam plantengemeenschappen aan, waarover wij op blz. 290 en volgende hebben gesproken. Slechts zelden bedekt één van deze plantengemeenschappen voor zich alleen den grond; gewoonlijk zijn ze door elkander heen gegroeid, en bijna altijd ziet men verschillende gemeenschappen, die zich in lagen boven elkander hebben ontwikkeld, zoodat bij voorbeeld op een dichte mosgroep, die als onderste laag den grond met een zacht tapijt bedekt, het bladerwerk van Varens en andere bladplanten zich verheft, terwijl dan als derde laag de op slanke zuilen rustende donkere kronen van een Sparrebosch hun schaduwdak uitspreiden.

Deze aaneenschakelingen van plantengemeenschappen werden door de botanici plantenformaties genoemd, zooals op blz. 307 werd opgemerkt. Do studie daarvan is voor een juiste opvatting van het landschap van de grootste beteekenis. Door hen krijgen al die landschappen, waarin de plantenwereld sterk is vertegenwoordigd, hun eigenaardig karakter; zij zijn het, die hier door een rijke verscheidenheid en door snel afwisselende contrasten de uitdrukking van levendigheid teweegbrengen, daar door eenvoud en armoede do eentonigheid van een streek veroorzaken.

Het onderzoek naar de betrekking tusschen die verschillende uitdrukkingen van het landschap, en het gemoed van den mensch, alsook naar het verband, waarin zij staan tot zijn natuurbeschouwing, zijn godsdienst en de w erken van zijn kunst, sluit vocr zich alleen al een heele wereld van vragen en problemen in. Welk een bekoring ligt er niet in de studie van den ontwikkelingsgang van iedere plantenformatie en in het nagaan van haar ontstaan, hare ontwikkeling en hare verdwijning. (Zie Deel I op blz. 319).

Het zou ons veel te ver voeren, zoo wij hier die veranderingen en het geheele wisselingsproces der plantengemeenschappen tot in kleinigheden wilden

Sluiten