Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nagaan; slechts dit moge hier worden vermeld, dat de wijze, waarop de verschillende planten in de op elkander volgende perioden elkander aflossen, naar vaste wetten plaats heeft. Elke plant heeft hare plaats, haar werk en haren tijd en zoo er tegen die wetten der opeenvolging door hen, die een landschap wil nabootsen, wordt gezondigd, dan zijn die fouten als storende anachronismen te beschouwen, overeenkomende met dergelijke misgrepen bij

geschiedkundige voorstellingen.

Nog moet worden opgemerkt, dat ook de opeenvolging der lagen en ile groepeering der verschillende planten in elke plantengemeenschap naar

vaste regelen geschieden.

In de aaneensluiting van verschillende gewassen tot de vorming van het groene gebouw van een plantengemeenschap, nemen wij altijd een zekere harmonie waar en een bepaalde overeenstemming in den vorm der afzonderlijke planten. Hier mogen als voorbeelden eens een beuk en woud en een de 1111e woud worden vergeleken. De schaduwrijke grond, waarover de kronen der beuken zich welven, vertoont ons nooit mossen en heideplantjes. Alle planten, die daar tusschen het afgevallen, bruingele loof ontspruiten, komen daarin met elkander overeen, dat zij zich kort na het groenworden der beuken ontplooien, en dat ze bijna alle, evenals de beuk zelf, in den winter de bladeren missen. Hun loof komt en gaat tegelijk met het groen der schaduwgevende boomen, en het beukenbosch is dus een door en door zomergroene plantenformatie. Hoe geheel anders is het daarentegen gesteld met een dennebosch. Zelfs onder dikke sneeuw behouden de planten van den boschgrond daar hun groene bladeren, evenals de over hen zich welvende kronen der dennen. En hoe verschillend is do aard der Flora in de eene en in de andere woudformatie! Daar in de schaduw der beuken zijn het meest alle bladplanten met zacht, fijn, glad en lichtgroen gebladerte, dat ons levendig aan het beukenloof herinnert'; hier, diep in het dennewoud, beneden een dicht mostapijt en daarboven altijdgroene'bosclibesheestertjes en heideplantjes, welker stijve takjes, evenals hun donker, ernstig bladergroen, zoo goed harmoniëert met de donkere kronen vol naalden, gedragen door de zuilen der dennen.

Wie kan hier den samenhang voorbijzien, do eenheid 111 de physiononne van het geheel, door alle elementen van den boschgrond met de hen overschaduwende boomen teweeggebracht; wie zou kunnen loochenen, dat elk der plantenformaties letterlijk van top tot teen in een bepaalden stijl is opgebouwd, en dat in die schijnbare wirwar en de bekoorlijke wanorde, die wij bij den eersten aanblik van een bosch waarnemen, niettemin de wet eener wonder-

schoone eenheid is uitgedrukt V

De oningewijde, die deze wet niet kent, gelooft maar al te dikwijls, dat-

men bii de voorstelling van plantengroepen volstaan kan met een grillig bont geheel en begaat daardoor dikwijls de grofste fouten tegen de natuur waarheid. Zooals wij op onze werktafel het dadelijk bespeuren, als een vreemde hand in de kunstmatige wanorde heeft ingegrepen, waarin wij al de honderd noodige en onnoodige dingen om ons heen hebben liggen, en zooals wij het oogenblik-

Sluiten