Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kelijk bemerken, als het eene of het andere voorwerp op een verkeerde plaats werd gelegd, zoo gaat het ook dengene, die zich met de studie van het plantenkleed bezighoudt, als hij een landschapsbeeld ziet, waarop aan de afzonderlijke planten dikwijls een totaal onmogelijke rol is toebedeeld en waarin de prachtige orde in den opbouw der plantengroep niet in het oog is gehouden.

Er ontbreekt dan die harmonie in het beeld, die in 't groote en het kleine in de gansche schepping valt op te merken, en een wanklank klinkt er dooide schilderij, die ons even onaangenaam aandoet als een wanklank in de muziek of als een slechte, onjuiste inkleeding van een dichterlijke gedachte in woorden. En zooals elk bosch en elke weide, ieder moeras en ieder heideveld naar onveranderlijke wetten samengesteld en ineengezet is en daardoor een bepaalden, steeds terugkeerenden indruk maakt, evenzoo heeft ook iedere afzonderlijke plant haar eigen vaste wetten van groei, waarnaar zich hare stengels, takken en bladeren vormen en ontwikkelen. Wij verwijzen in dit opzicht nog eens met nadruk naar de hoofdstukken over de verdeeling der bladeren aan den omtrek van den stengel en de betrekkingen tusschen den stand en den vorm der bladeren, op blz. 29 tot 62 van Deel II.

In de oudheid was die tak der schilderkunst, dien wij nu het landschapschilder en noemen, zoo goed als onbekend. Nooit plaatsten zich toen de kunstscheppingen op dat standpunt, waarbij het landschap en zijn plantenwereld om hun zelfs wil worden voorgesteld. Alles beweegt zich bij de kunstwerken der Grieken en Romeinen in den kring der menschheid en van hunne goden. Wat aan voorstellingen van landschappen met name in de wandschilderingen van Pompeji tot ons is gekomen, bepaalt zich tot afbeeldingen van villa's en tuinen. Hier en daar zijn ook beken en daarover leidende bruggen, of wegen met erop loopende dieren, namelijk paarden en schapen, aangetroffen; maar wat wij tegenwoordig „stemming" noemen, zoekt men te vergeefs op deze afbeeldingen en nooit doen zij zich voor als voortbrengselen van de scheppende fantazie des kunstenaars.

Evenzoo is het gesteld met wat de Middeleeuwen nalieten. Ook in den Renaissancetijd kon zich het landschapschilderen niet tot een afzonderlijken tak van kunst opwerken; de landschappen vormden enkel den achtergrond en waren slechts ondergeschikte bestanddeelen der schilderijen met voorstellingen van figuren. Titiaan schildert op den achtergrond de steile toppen der dolomiet bergen van zijn vaderstad Cadore in Friaul; Rakaël het Umbrische landschap met de omtrekken van glooiende heuvels en dunbebladerde, slanke boomen.

De overgang van de historiestukken tot het landschap is vooral gekenmerkt door het verschijnsel, dat de figuren, die aan de Rijbelsche geschiedenis of aan de mythologie zijn ontleend, al kleiner worden, en dat de elementen van het eigenlijke landschap al duidelijker naar voren komen. De kunstgeschiedenis noemt zulke schilderijen historische of heroïsche landschappen. Zij zijn vooral het werk geweest van Claude Lorrain, 1600 tot 1682, en van Salvator Rosa, 1615 tot 1673. Op de schilderijen van den eerste ziet men als omgeving van de voorgestelde handelende personen ideale landschappen met

Sluiten